Besluit radio-elektrische inrichtingen BES
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. wet: Wet telecommunicatievoorzieningen BES ;
b. toezichthoudende ambtenaar: de ambtenaar, bedoeld in artikel 31a, van de wet;
c. zendinrichting: radio-elektrische zendinrichting, bestaande uit één apparaat dan wel uit een samenstel van apparaten;
d. ontvanginrichting: radio-elektrische ontvanginrichting, bestaande uit één apparaat dan wel uit een samenstel van apparaten, niet uitsluitend bestemd voor de ontvangst van omroepprogramma’s;
e. vrijstelling van een machtiging: vrijstelling van het vereiste van een machtiging, bedoeld in artikel 15, tweede lid, onderdeel b, van de wet;
f. machtiginghouder: degene aan wie machtiging is verleend ten aanzien van een zendinrichting of een ontvanginrichting;
g. houder:
1°. met betrekking tot zendinrichtingen of ontvanginrichtingen waarvoor een machtiging is verleend: de machtiginghouder, en
2°. met betrekking tot zendinrichtingen of ontvanginrichtingen waarvoor het vereiste van een machtiging niet geldt dan wel ten aanzien waarvan vrijstelling van een machtiging is verleend: degene die deze inrichtingen aanlegt, aanwezig heeft of gebruikt;
h. ondernemer: degene die het vervaardigen, verhandelen, installeren of herstellen van zendinrichtingen of ontvang-inrichtingen als beroep of bedrijf uitoefent;
i. een ontheffing: een ontheffing als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de wet;
j. technische eisen ten aanzien van zendinrichtingen
1°. de technische eisen, bedoeld in artikel 18; en
2°. ten aanzien van ontvanginrichtingen: de technische eisen, bedoeld in artikel 51;
k. verklaring van conformiteit:
1°. ten aanzien van zendinrichtingen: een bewijsstuk als bedoeld in artikel 21, eerste lid; en
2°. ten aanzien van ontvanginrichtingen: een bewijsstuk als bedoeld in artikel 54, eerste lid;
l. verklaring van toelating:
1°. ten aanzien van zendininrichtingen: een bewijsstuk als bedoeld in artikel 23, eerste lid; en
2°. ten aanzien van ontvanginrichtingen: een bewijsstuk als bedoeld in artikel 56, eerste lid;
m. bewijs van goedkeuring
1°. ten aanzien van zendinrichtingen: een bewijsstuk als bedoeld in artikel 38, eerste lid; en
2°. ten aanzien van ontvanginrichtingen: een bewijsstuk als bedoeld in artikel 69, eerste lid.
Artikel 2
Voor de toepassing van artikel 14 van de wet en het bij of krachtens dit besluit ten aanzien van zendinrichtingen bepaalde zijn met zendinrichtingen gelijkgesteld radiofrequent vermogensversterkers die geschikt zijn voor gebruik te zamen met zendinrichtingen alsmede andere elektrische of elektronische inrichtingen die geschikt zijn om het radiofrequent signaal van zendinrichtingen te wijzigen.
Artikel 3
Indien door middel van zendinrichtingen communicatie met het grondgebied van een andere mogendheid wenselijk is, dient door beide betrokken landen toestemming te zijn verleend om deze communicatie te voeren.
Artikel 4
Dit besluit is van overeenkomstige toepassing op de aanleg, het aanwezig hebben, het gebruiken of exploiteren van radio-elektrische zend- en ontvanginrichtingen door houder van een concessie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet, met dien verstande dat overeenkomstig artikel 15, eerste lid, van de wet de houder van een concessie geen machtiging behoeft.
Artikel 5
Een machtiging geldt voor de aanleg, het aanwezig hebben of het gebruik dan wel de exploitatie, tenzij in dit besluit dan wel bij de verlening van de machtiging anders is bepaald.
Artikel 6
Een aanvraag om verlening, wijziging of intrekking van een machtiging voor een zendinrichting of een ontvanginrichting dan wel van een ontheffing dient te geschieden op een door Onze Minister te bepalen wijze.
1.
De aanvraag om verlening of wijziging van een machtiging dan wel ontheffing bevat tenminste de volgende gegevens:
a. naam en adres van de aanvrager;
b. dagtekening en ondertekening;
c. het doel waarvoor de machtiging of ontheffing dan wel een wijziging daarvan wordt gevraagd;
d. de aard en hoedanigheid van de te gebruiken inrichtingen.
2.
De aanvraag met betrekking tot intrekking van een machtiging of ontheffing bevat tenminste de volgende gegevens:
a. naam en adres van de aanvrager;
b. dagtekening en de ondertekening;
c. redenen van de aanvraag.
3.
De aanvrager verschaft voorts de gegevens en bescheiden die voor de beoordeling van de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
Artikel 8
De aanvrager kan weigeren gegevens en bescheiden te verschaffen op grond dat het belang daarvan voor de beslissing van Onze Minister niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer of tegen het belang van de bescherming van bedrijfsgegevens.
Artikel 9
Indien een aanvraag niet is ingediend op de wijze bij of krachtens artikel 6 voorgeschreven of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, verzoekt Onze Minister de aanvrager de aanvraag aan te vullen binnen een bij het verzoek te stellen termijn.
Artikel 10
Indien Onze Minister voornemens is een aanvraag om een machtiging dan wel ontheffing geheel of gedeeltelijk te weigeren op grond van gegevens over feiten en belangen die de aanvrager betreffen en die niet in overeenstemming zijn met gegevens die de aanvrager ter zake zelf heeft versterkt, wordt de aanvrager gedurende een te stellen termijn in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze daarover naar voren te brengen.
Artikel 11
Onze Minister stelt de machtiginghouder en de houder van de ontheffing in kennis van de aanvraag van een derde belanghebbende tot wijziging of intrekking van de machtiging of ontheffing en biedt hem gedurende een te stellen termijn de gelegenheid zijn zienswijze daarover naar voren te brengen.
1.
Op een aanvraag als bedoeld in artikel 6 wordt door Onze Minister beslist binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag.
2.
Een besluit tot afwijzing van een aanvraag om een machtiging of een ontheffing dan wel om een wijziging daarvan wordt met redenen omkleed.
3.
Indien niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn beslist kan worden, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en geeft daarbij een termijn aan die niet langer zal zijn dan zes maanden, waarbinnen een beslissing zal worden genomen.
4.
Het verloop van de termijn bedoeld in het eerste lid wordt van rechtswege opgeschort met ingang van de dag waarop Onze Minister krachtens artikel 9 de aanvrager verzoekt de aanvraag aan te vullen tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de krachtens artikel 9 gestelde termijn is verstreken.
5.
Het verloop van de termijn in het eerste lid wordt voorts van rechtswege opgeschort met ingang van de dag waarop Onze Minister krachtens artikel 10 of 11 de aanvrager respectievelijk de machtiginghouder of de houder van de ontheffing in de gelegenheid stelt zijn zienswijze omtrent het voorgenomen besluit naar voren te brengen of de krachtens artikel 10 of 11 gestelde termijn is verstreken.
Artikel 13
Indien de houder van de verleende machtiging deze niet binnen een periode van twaalf maanden gebruikt, trekt Onze Minister deze in behoudens ingeval zulks naar het oordeel van Onze Minister als onredelijk is aan te merken. In dat geval bepaalt Onze Minister een termijn waarbinnen de machtiging alsnog gebruikt dient te worden. Geschiedt zulks niet binnen die termijn dan trekt Onze Minister de machtiging in.
1.
De verschuldigde vergoedingen met betrekking tot de verlening van een machtiging of een ontheffing voor zendinrichtingen en ontvanginrichtingen alsmede voor keuringen daarvan en het toezicht op de naleving van de bij of krachtens de wet gegeven regels, voorschriften en beperkingen, bedoeld in respectievelijk artikel 31, onderdelen a, b, onder 1, en e, van de wet dienen bij vooruitbetaling te worden voldaan.
2.
De machtiginghouder en de houder van de ontheffing zijn de vergoedingen met betrekking tot het toezicht als bedoeld in het eerste lid per periode van twaalf maanden bij vooruitbetaling verschuldigd.
3.
Indien ten behoeve van een zendinrichting meer dan één frequentie wordt gewenst, is de aanvrager per frequentie de in het eerste lid bedoelde vergoeding met betrekking tot de verlening van de machtiging verschuldigd.
4.
De vergoeding met betrekking tot de verlening van een machtiging voor een zendinrichting als bedoeld in het eerste lid of met betrekking tot een aanvullende frequentie als bedoeld in het derde lid, kan worden gedifferentieerd naar de bandbreedte, indien deze meer bedraagt dan 64 of 56 K/bits voor digitale zendinrichtingen en één kanaal voor analoge zendinrichtingen. Onze Minister bepaalt de maximale bandbreedte. Hij houdt daarbij zoveel mogelijk rekening met de aanvraag.
1.
Bij elke zend- of ontvanginrichting waarvoor ingevolge dit besluit een machtiging is vereist, dient de beschikking of een namens Onze Minister gewaarmerkt afschrift daarvan aanwezig te zijn.
2.
De desbetreffende zend- of ontvanginrichting dient van het type te zijn dat in de beschikking is vermeld.
3.
Alle aan de machtiginghouder terzake van diens machtiging verstrekte bescheiden blijven eigendom van de Staat der Nederlanden.
Artikel 16
Het is de machtiginghouder verboden de zend- of ontvanginrichting te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor de machtiging is verleend.
1.
Onze Minister houdt een register van alle verleende machtigingen. Daarin worden in ieder geval vermeld:
a. de naam en het adres van de houder van de machtiging;
b. de aard van de machtiging;
c. het soort zend- of ontvanginrichting waarvoor de machtiging is afgegeven.
2.
Indien de machtiginghouder zulks wenst, wordt hem een bewijs van registratie in het register verstrekt. Een dergelijk registratiebewijs wordt slechts verstrekt nadat de vergoedingen, bedoeld in artikel 14, eerste lid, zijn betaald en is één jaar geldig.
1.
Onze Minister stelt per categorie zendinrichtingen technische eisen vast waaraan zendinrichtingen voor gebruik in het etherverkeer dienen te voldoen.
2.
De ingevolge het eerste lid te stellen technische eisen voor zendinrichtingen strekken ten dienste van:
a. de waarborg van het regelmatig verloop van het etherverkeer;
b. het voorkomen van storingen door zendinrichtingen in andere elektrische en elektronische inrichtingen;
c. bestand zijn van zendinrichtingen tegen storingen van andere elektrische en elektronische inrichtingen.
3.
De ingevolge het eerste lid te stellen technische eisen voor zendinrichtingen bevatten tevens de methoden voor het testen van zendinrichtingen op conformiteit met de gestelde technische eisen.
4.
De invoer van zendinrichtingen, bestemd voor gebruik op het grondgebied van een openbaar lichaam, die niet voldoen aan de in het eerste lid bedoelde technische eisen is verboden.
5.
Het vierde lid is niet van toepassing op zendinrichtingen die voor een periode van ten hoogste drie maanden worden ingevoerd als deel van de persoonlijke bezittingen van de gebruiker. Indien deze zendinrichtingen storing veroorzaken dan wel van deze zendinrichtingen ongeoorloofd gebruik wordt gemaakt, kan het gebruik van deze zendinrichtingen worden verboden. Zonodig wordt de zendinrichting door een toezichthoudende ambtenaar in beslag genomen en bewaard tot het tijdstip van vertrek. De kosten verbonden aan de inbeslagneming en de bewaring komen ten laste van de gebruiker.
1.
Ten behoeve van het testen van zendinrichtingen op conformiteit aan de technische eisen kan Onze Minister testinstellingen erkennen.
2.
Onze Minister erkent een testinstelling indien deze:
a. volledige rechtspersoonlijkheid bezit;
b. voldoet aan door Onze Minister te stellen eisen van onafhankelijkheid, interne organisatie, procedures, deskundigheid en technische middelen ten behoeve van het testen van zendinrichtingen zoals opgenomen in een document uitgegeven door een deskundige nationale of internationale instelling.
3.
Onze Minister kan de erkenning van een instelling intrekken indien die instelling niet meer voldoet aan de in het tweede lid voor het verlenen van die erkenning opgenomen eisen.
4.
Een erkenning of intrekking daarvan wordt in de Staatscourant bekend gemaakt.
Artikel 20
Een aanvraag om erkenning als bedoeld in artikel 18, eerste lid, wordt schriftelijk ingediend bij Onze Minister met gebruikmaking van een bij Onze Minister verkrijgbaar formulier.
1.
Indien een krachtens artikel 19, eerste lid, erkende testinstelling, een zendinrichting ten behoeve van de toelating heeft getest op conformiteit met de daarvoor gestelde technische eisen en op basis van de resultaten van die test tot de bevinding is gekomen dat die zendinrichting voldoet aan de gestelde eisen, geeft de testinstelling ten bewijze daarvan een verklaring van conformiteit af.
2.
In een verklaring van conformiteit wordt in elk geval opgenomen:
a. de identificatie van degene op wiens naam de verklaring is opgesteld;
b. de identificatie van de desbetreffende zendinrichting;
c. de vermelding van de technische specificaties op basis waarvan de test is uitgevoerd;
d. de identificatie van het testrapport.
3.
Bij een verklaring van conformiteit zijn in elk geval gevoegd:
a. een bijlage met daarin een volledig technisch omschrijving van de desbetreffende zendinrichting;
b. een bijlage bestaande uit een gewaarmerkt exemplaar van het testrapport.
4.
Een verklaring van conformiteit wordt opgesteld overeenkomstig een door Onze Minister vastgesteld model. De verklaring en de bijbehorende bijlagen zijn in de Nederlandse of Engelse taal gesteld.
5.
Onze Minister kan bepalen dat een zendinrichting van een bepaald model of type voldoet aan de gestelde technische eisen indien deze is voorzien van een in een ander land, overeenkomstig de aldaar geldende regels, afgegeven verklaring van conformiteit van een in dat land erkende testinstelling.
1.
Het is verboden een zendinrichting die niet door Onze Minister is toegelaten te installeren, aanwezig te hebben of te gebruiken.
2.
De aanvraag om toelating van een zendinrichting wordt door een direct belanghebbende schriftelijk ingediend bij Onze Minister met gebruikmaking van een bij Onze Minister verkrijgbaar formulier.
3.
Gelijktijdig met de indiening van de aanvraag om toelating van een zendinrichting moet daarbij als bijlage worden overgelegd de overeenkomstig artikel 21 afgegeven verklaring van conformiteit met bijbehorende bijlagen voor die zendinrichting. De aanvraag en de bijbehorende stukken zijn in de Nederlandse of de Engelse taal gesteld.
4.
Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op zendinrichtingen die met het oog op het gebruik voor een periode van ten hoogste drie maanden worden ingevoerd als deel van de persoonlijke bezittingen van de gebruiker.
1.
De verlening van de toelating geschiedt door afgifte van een verklaring van toelating waarin verder in elk geval zijn opgenomen:
a. de identificatie van degene op wiens naam de verklaring is gesteld;
b. de identificatie van de zendinrichtingen waarvoor de verklaring is afgegeven;
c. de identificatie van de verklaring van conformiteit welke bij de aanvraag om toelating zijn overgelegd.
2.
Een verklaring van toelating wordt opgesteld volgens een door Onze Minister vastgesteld model.
3.
Bij elke toegelaten zendinrichting dient steeds de verklaring van toelating of een namens Onze Minister gewaarmerkt afschrift daarvan aanwezig te zijn.
4.
De afgegeven verklaringen van toelating worden vanwege Onze Minister geregistreerd volgens door Onze Minister te stellen regels.
Artikel 24
Een verklaring van toelating mag slechts worden geweigerd:
a. indien bij de aanvraag niet zijn overgelegd de vereiste verklaring van conformiteit en de overige vereiste bescheiden en gegevens;
b. indien de zendinrichting niet voldoet aan de krachtens artikel 18, eerste lid, gestelde technische eisen;
c. ten aanzien van zendinrichtingen bestemd voor gebruik als randapparatuur, indien daarvoor een verklaring van toelating als bedoeld in artikel 8, derde lid, van het Besluit randapparatuur BES wordt geweigerd.
Artikel 25
Een verklaring van toelating mag slechts worden ingetrokken indien is gebleken dat het type zendinrichting waarvoor een verklaring van toelating is afgegeven:
a. in betekenende mate afwijkt van de bij de aanvraag van toelating overgelegde verklaring van conformiteit en de overige vereiste bescheiden en gegevens;
b. niet of niet meer voldoet aan de krachtens artikel 18, eerste lid, gestelde eisen.
Artikel 26
Toewijzing van radiofrequenties voor zendinrichtingen als bedoeld in de hoofdstukken 4 en 5 geeft geen aanspraak op een exclusief en storingvrij gebruik daarvan.
1.
Bij de aanleg, het aanwezig hebben en het gebruik van een zendinrichting mag geen storing of belemmering worden veroorzaakt in andere zendinrichtingen, ontvanginrichtingen en overige elektrische of elektronische inrichtingen.
2.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing indien de inrichting welke storing of belemmering ondervindt niet voldoet hetzij aan bij of krachtens de wet dan wel bij of krachtens enige andere wet ter zake gestelde technische eisen hetzij aan door Onze Minister te stellen redelijke technische eisen.
1.
De door Onze Minister ingevolge artikel 33, eerste lid, van de wet te geven aanwijzingen tot het voorkomen en opheffen van storingen en belemmeringen kunnen betreffen:
a. de verplichting voor de houder om de nodige voorzieningen te treffen aan de zendinrichting, en
b. de verplichting om met onmiddellijke ingang het gebruik van de zendinrichting te staken.
2.
Deze aanwijzingen worden schriftelijk gegeven maar kunnen in afwijking daarvan in dringende gevallen door een toezichthoudende ambtenaar mondeling worden gegeven, in welk geval zij binnen drie weken schriftelijk dienen te worden bevestigd.
3.
Aan de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde verplichting dient door de houder te worden voldaan binnen zes weken nadat de aanwijzing is gegeven.
1.
Indien een krachtens artikel 28, eerste lid, gegeven aanwijzing tot het treffen van voorzieningen aan een inrichting niet binnen zes weken is opgevolgd, kan een toezichthoudende ambtenaar deze voorzieningen treffen of doen treffen, doch slechts na voorafgaande schriftelijke waarschuwing.
2.
De bij een krachtens artikel 28, eerste lid, gegeven aanwijzing opgelegde verplichting om het gebruik van een zendinrichting te staken, wordt opgeheven nadat een toezichthoudende ambtenaar heeft vastgesteld, dat de in die aanwijzing bevolen voorzieningen zijn getroffen dan wel geen storing of belemmering meer wordt veroorzaakt.
1.
Klachten over storingen of belemmeringen door zendinrichtingen in andere zendinrichtingen, ontvanginrichtingen of overige elektrische of elektronische inrichtingen worden behandeld overeenkomstig door Onze Minister te stellen regels.
2.
Van behandeling van klachten kan worden afgezien indien de inrichting welke storing of belemmering ondervindt niet voldoet, hetzij aan bij of krachtens de wet dan wel bij of krachtens enige andere wet terzake gestelde technische eisen, hetzij aan door Onze Minister te stellen redelijke technische eisen.
3.
Van behandeling van klachten kan eveneens worden afgezien indien de klager onvoldoende medewerking verleent.
4.
De klager is een door Onze Minister te bepalen vergoeding verschuldigd voor de behandeling van de klacht. Deze vergoeding is niet verschuldigd indien de houder van de zendinrichting die storing of belemmering veroorzaakt, een vergoeding als bedoeld in het vijfde lid is opgelegd.
5.
Aan de houder van de zendinrichting die storing of belemmering veroorzaakt, kan een vergoeding bedoeld in artikel 31, onderdeel c, van de wet in rekening worden gebracht die binnen een termijn van zes weken na dagtekening dient te worden voldaan.
Artikel 31
Het is een ondernemer verboden zendinrichtingen die krachtens artikel 18, eerste lid, dienen te voldoen aan door Onze Minister gestelde technische eisen, op het grondgebied van een openbaar lichaam af te leveren, te verhuren of op andere wijze ter beschikking te stellen, indien deze zendinrichtingen niet voldoen aan de gestelde technische eisen.
1.
Het is verboden op het grondgebied van een openbaar lichaam handelsreclame te maken of te doen maken voor zendinrichtingen die niet zijn toegelaten.
2.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door Onze Minister aan te wijzen categorieën van zendinrichtingen.
1.
Onze Minister wijst aan de hand van het doel waarvoor zendinrichtingen mogen worden gebruikt categorieën zendinrichtingen aan, waarvoor een machtiging is vereist.
2.
Ter voldoening aan bindende verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties dan wel in het belang van het regelmatig verloop van het etherverkeer stelt Onze Minister per categorie zendinrichtingen eisen waaraan de aanvrager van een machtiging dient te voldoen om in aanmerking te komen voor een machtiging. Deze eisen kunnen inhouden het vereiste:
a. dat de aanvrager een bepaalde leeftijd bezit;
b. dat de aanvrager met goed gevolg een voor het gebruik van de categorie zendinrichting vereiste examen heeft afgelegd;
c. dat de aanvrager in het bezit is van een certificaat van bediening;
d. dat de aanvrager een redelijk belang heeft bij de gevraagde machtiging;
e. dat de statutaire doelomschrijving van een rechtspersoon in overeenstemming is met het doel waarvoor de machtiging wordt aangevraagd;
f. dat het ledental en de samenstelling van een vereniging, in verband met het doel waarvoor een machtiging is aangevraagd, voldoende representatief is voor de door de vereniging te behartigen belangen;
g. dat een ondernemer als zodanig is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken BES.
1.
Een machtiging wordt verleend voor ten hoogste tien jaren.
2.
De aan een machtiging te verbinden voorschriften kunnen betrekking hebben op:
a. de aard en de hoedanigheid van de zendinrichting die de machtiginghouder mag aanleggen, aanwezig hebben, gebruiken of exploiteren;
b. de tot de zendinrichting behorende antenne-inrichting;
c. het zendvermogen van de zendinrichting;
d. de plaats waar en de wijze waarop de zendinrichting wordt geïnstalleerd;
e. de frequenties en de bandbreedte die mogen worden gebezigd bij het uitzenden alsmede het gebruik daarvan;
f. het treffen van maatregelen ter voorkoming en opheffing van storing;
g. de aard, de hoedanigheid en het gebruik van de ontvanginrichting, die met de zendinrichting één gebruiksgeheel vormt;
h. het doel waarvoor de zendinrichting mag worden gebruikt;
i. de tijdstippen waarop en de plaatsen waar de zendinrichting mag worden gebruikt;
j. de bediening en het gebruik van de zendinrichting;
k. de toegestane radiocommunicatieverbindingen;
l. de bescherming van informatie door middel van technische voorzieningen;
m. een of meer bescheiden die bij de zendinrichting aanwezig behoren te zijn;
n. de registratie en de plaats van opslag van de zendinrichting;
o. het verstrekken van gegevens omtrent de machtiginghouder, de zendinrichting, alsmede de ontvanginrichting die met de zendinrichting één gebruiksgeheel vormt, welke voor de uitvoering van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels noodzakelijk zijn.
3.
Indien het beheer van het frequentiespectrum zulks met zich meebrengt, kan Onze Minister de, overeenkomstig het tweede lid, onderdeel e, in de machtiging toegekende frequenties alsmede de bandbreedte wijzigen. Onze Minister bepaalt bij een zodanige wijziging wie de kosten draagt die aan een dergelijke wijziging zijn verbonden.
4.
De machtiging voor een zendinrichting die is toegelaten, kan worden ingetrokken indien de mechanische, elektrische of elektronische uitvoering van die zendinrichting niet overeenstemt met het model of type waarvoor de verklaring van toelating is afgegeven.
Artikel 35
Onverminderd het bepaalde in artikel 34, tweede lid, kunnen aan een machtiging voor de aanleg of voor het aanwezig hebben mede voorschriften worden verbonden inzake de na verkoop of tijdens verhuur te verlenen nazorg.
1.
Onze Minister kan bepalen dat een ondernemer aan wie machtiging voor het aanwezig hebben van zendinrichtingen is verleend, verplicht is een register te houden van de door hem vervaardigde, ontvangen en afgeleverde inrichtingen van door Onze Minister aangegeven klassen.
2.
Het register genoemd in het eerste lid dient te worden ingericht overeenkomstig een door Onze Minister vast te stellen model.
3.
Het register bevat in ieder geval de navolgende gegevens:
a. de naam, het adres en de woonplaats zowel van degene van wie de zendinrichtingen zijn ontvangen als van degene aan wie de zendinrichtingen zijn afgeleverd;
b. het nummer van de machtiging dat voor de desbetreffende zendinrichtingen is verleend;
c. de datum van produktie of ontvangst alsmede de aflevering van de zendinrichtingen;
d. het fabrikaat, de typeaanduiding en het serienummer van zendinrichting;
e. in geval van in-, door-, of uitvoer van zendinrichtingen tevens het soort en nummer van de desbetreffende douanedocumenten.
4.
De gegevens, welke in het register zijn opgenomen, dienen tenminste drie jaar te worden bewaard.
Artikel 37
Een ondernemer aan wie machtiging voor het aanwezig hebben is verleend, mag de door Onze Minister aan te wijzen klassen van zendinrichtingen uitsluitend op een niet voor het publiek toegankelijke plaats aanwezig hebben. Onze Minister kan ter zake nadere regels stellen.
1.
Een zendinrichting mag niet in bedrijf worden genomen alvorens deze door of namens Onze Minister is goedgekeurd. De verlening van de goedkeuring geschiedt door afgifte van een bewijs van goedkeuring waarin in elk geval zijn opgenomen:
a. de identificatie van de houder van de concessie, machtiging, aanvullende machtiging of ontheffing, op wiens naam het bewijs is gesteld;
b. de identificatie van de inrichting waarvoor het bewijs is afgegeven;
c. de omschrijving van de apparatuur die deel uitmaakt van de zendinrichting;
d. de insteltechnische parameters van de apparatuur die deel uitmaakt van de zendinrichting;
e. de kwaliteit van de signalen die door de zendinrichting worden uitgezonden.
2.
Om in aanmerking te komen voor een bewijs van goedkeuring dient bij de keuring de machtiginghouder ten genoegen van de toezichthoudende ambtenaar aan te tonen dat de inrichting aan de bij of krachtens dit besluit gestelde eisen en aan andere van toepassing zijnde wettelijke of internationale voorschriften voldoet.
3.
Een bewijs van goedkeuring wordt opgesteld volgens een door Onze Minister vastgesteld model.
4.
Bij elke goedgekeurde zendinrichting dient steeds het bewijs van goedkeuring of een namens Onze Minister gewaarmerkt afschrift daarvan aanwezig te zijn.
5.
De afgegeven bewijzen van goedkeuring worden vanwege Onze Minister geregistreerd volgens door deze te stellen regels.
6.
Het bewijs van goedkeuring voor een zendinrichting als bedoeld in het eerste lid vervalt:
a. vijf jaren na de datum van zijn uitreiking of zoveel eerder als de concessie, machtiging, aanvullende machtiging of ontheffing vervalt of wordt ingetrokken;
b. indien wijzigingen worden aangebracht in de zendinrichting;
c. indien de toezichthoudende ambtenaar constateert dat de zendinrichting niet of niet meer voldoet aan de gestelde technische eisen.
7.
Het bepaalde in het zesde lid, aanhef en onderdelen b en c, vindt eerst toepassing na zes weken ten einde de houder van de concessie, machtiging, aanvullende machtiging of ontheffing in de gelegenheid te stellen de nodige acties te ondernemen opdat binnen die periode de afgifte van een nieuw bewijs van goedkeuring kan plaatsvinden. Indien aan deze bepaling niet wordt voldaan dan dient het gebruik van de zendinrichting te worden gestaakt totdat voldaan is aan het gestelde in het eerste lid van dit artikel.
8.
Indien naar het oordeel van Onze Minister de in het zevende lid genoemde periode van zes weken te kort is, kan hij deze zodanig verlengen dat de betrokkene alsnog een redelijke termijn wordt gegund om de in het vijfde lid bedoelde acties te ondernemen.
Artikel 39
Indien de zendinrichting niet langer voldoet aan de technische eisen gesteld krachtens artikel 18, eerste lid, kan een toezichthoudende ambtenaar de zendinrichting verzegelen totdat de machtiginghouder deze weer in overeenstemming heeft gebracht met evenbedoelde technische eisen. De kosten van de verzegeling komen ten laste van de machtiginghouder.
1.
In het belang van het interinsulaire en internationale telecommunicatieverkeer geeft Onze Minister bij het verlenen van de machtiging met het oog op de identificatie van een zendinrichting roepletters uit. Hieraan kunnen door Onze Minister kosten worden verbonden.
2.
Op verzoek van een belanghebbende kan Onze Minister in bijzondere gevallen speciale roepletters uitgeven voor een bij die uitgifte nader omschreven termijn. De tweede volzin van het eerste lid is van toepassing.
1.
Degene die zendinrichtingen installeert dan wel diegene die onmiddellijke leiding geeft aan de uitoefening van een bedrijf voor het installeren van zendinrichtingen dient in het bezit te zijn van:
a. een door Onze Minister te bepalen diploma van een universiteit of hogeschool;
b. een door Onze Minister te bepalen diploma van een instelling van lager beroepsonderwijs, of
c. een diploma van een door Onze Minister erkende vakopleiding voor het installeren van zendinrichtingen.
2.
Onze Minister kan met een diploma als bedoeld in het eerste lid gelijkstellen het diploma van een opleiding van een ander land, indien dat diploma ten aanzien van eisen van vakbekwaamheid voor het installeren van zendinrichtingen naar diens oordeel gelijkwaardig is aan een diploma als bedoeld in het eerste lid.
1.
De erkenning van een vakopleiding als bedoeld in artikel 41, eerste lid, onderdeel c, geschiedt op aanvraag van een door Onze Minister als representatief erkende beroeps- of bedrijfsorganisatie, werkzaam of mede werkzaam op het gebied van het installeren van zendinrichtingen.
2.
De erkenning van een vakopleiding wordt verleend, indien deze naar het oordeel van Onze Minister:
a. waarborg biedt voor opleiding tot een voldoende niveau van vakbekwaamheid;
b. met voldoende periodiciteit wordt gegeven;
c. de mogelijkheid tot periodieke bijscholing biedt.
1.
Tot toepassing van de artikelen 15, achtste lid, onderdeel a, en 33, tweede lid, onderdelen a en c, van de wet, wordt ten aanzien van de zendinrichtingen als bedoeld in hoofdstuk 4 van dit besluit slechts overgegaan nadat de machtiginghouder aan een terzake gegeven schriftelijke waarschuwing geen gevolg heeft gegeven dan wel geen gebruik heeft gemaakt van de hem gedurende een periode van ten minste drie weken geboden gelegenheid om alsnog aan de bij of krachtens de wet gestelde regels dan wel aan de voorschriften of beperkingen die zijn verbonden aan de machtiging, te voldoen.
2.
Bij ernstige overtreding van de regels of van de voorschriften kan onmiddellijk een zendverbod worden opgelegd of de machtiging worden ingetrokken.
3.
Het besluit tot het opleggen van een administratieve boete, een zendverbod of het intrekken van de machtiging wordt de machtiginghouder schriftelijk medegedeeld.
1.
Onze Minister kan bepalen dat niet-ingezetenen van een openbaar lichaam die tijdelijk op het grondgebied van een openbaar lichaam verblijven met inachtneming van door hem te stellen regels gedurende ten hoogste één jaar zijn vrijgesteld van een machtiging voor daarbij aan te geven categorieën van zendinrichtingen, voor zover deze personen bevoegd zijn in het land van herkomst deze zendinrichtingen aan te leggen, aanwezig te hebben en te gebruiken.
2.
De vrijstelling van een machtiging, bedoeld in het eerste lid, kan worden beperkt tot de aanleg en het aanwezig hebben van bedoelde zendinrichtingen.
Artikel 45
Onze Minister kan overheidsinstanties die belast zijn met de uitvoering van artikel 15 van de wet, met inachtneming van door hem te stellen regels, vrijstelling van een machtiging voor zendinrichtingen verlenen.
Artikel 46
De ondernemer is vrijgesteld van een machtiging voor zendinrichtingen van een toegelaten type welke behoren tot de door Onze Minister ingevolge artikel 48 aangewezen categorieën vrijetijdstoepassingen en welke uitsluitend kunnen worden gebruikt op de daarvoor aangewezen frequenties.
Artikel 47
Degenen die het vervoer van goederen als beroep of bedrijf uitoefent is ten behoeve van het vervoer vrijgesteld van een machtiging bij de wet vereist voor het aanwezig hebben van zendinrichtingen, voorzover deze deugdelijk zijn verpakt en de naam, het adres en de woonplaats van de afzender en geadresseerde daarbij zijn vermeld.
1.
Geen machtiging is vereist voor door Onze Minister aan te wijzen categorieën zendinrichtingen welke door de aard van de toepassing alsmede de technische constructie geen of vrijwel geen storing of belemmering kunnen veroorzaken in zendinrichtingen, ontvanginrichtingen en overige elektrische of elektronische inrichtingen.
2.
Zendinrichtingen die behoren tot in het eerste lid bedoelde categorieën zendinrichtingen mogen slechts gebruik maken van de voor die zendinrichtingen door Onze Minister aangewezen frequenties. Onze Minister kan voorts regels geven met betrekking tot het gebruik van dergelijke zendinrichtingen.
3.
Voor de aanwijzing van frequenties als bedoeld in het tweede lid alsmede met het oog op de controle op de naleving van de aldaar bedoelde regels, kan Onze Minister een vergoeding vragen van de gebruikers. Deze wordt geheven door tussenkomst van de leverancier van de in dit artikel bedoelde zendinrichtingen.
Artikel 49
In afwijking van het bepaalde in artikel 48 is voor de krachtens dat artikel aangewezen zendinrichtingen een machtiging vereist indien de mechanische, elektrische of elektronische uitvoering van deze zendinrichtingen niet of niet meer in overeenstemming is met het model of het type waarvoor een verklaring van toelating is afgegeven.
Artikel 50
Ter bescherming van de rechten van derden is het een ieder verboden van niet of niet mede voor hem bestemde informatie, opgevangen door middel van een ontvanginrichting, aantekening te houden of deze op enige wijze te gebruiken dan wel de inhoud, de strekking of het bestaan ervan bekend te maken of te laten worden, behoudens ingeval de veiligheid van het Koninkrijk, of een openbaar lichaam of de openbare orde in een van de openbare lichamen in het geding is dan wel een vermoeden bestaat van een strafbaar feit of een voornemen daartoe.
1.
Onze Minister kan technische eisen stellen waaraan ontvanginrichtingen voor gebruik in het etherverkeer dienen te voldoen.
2.
De met toepassing van het eerste lid te stellen technische eisen voor ontvanginrichtingen mogen slechts strekken ten dienste van:
a. de waarborging van het regelmatig verloop van het etherverkeer;
b.
1°. het voorkomen van storingen door ontvanginrichtingen in andere elektrische en elektronische inrichtingen;
2°. het bestand zijn van ontvanginrichtingen tegen storingen van andere elektrische en elektronische inrichtingen.
3.
De ingevolge het eerste lid te stellen technische eisen voor ontvanginrichtingen bevatten tevens de methoden voor het testen van ontvanginrichtingen op conformiteit met de gestelde technische eisen.
4.
De invoer van ontvanginrichtingen die niet voldoen aan de in het eerste lid bedoelde technische eisen is verboden.
1.
Ten behoeve van het testen van ontvanginrichtingen op conformiteit aan de technische eisen kan Onze Minister testinstellingen erkennen.
2.
Onze Minister erkent een testinstelling indien deze:
a. volledige rechtspersoonlijkheid bezit;
b. voldoet aan door Onze Minister te stellen eisen van onafhankelijkheid, interne organisatie, procedures, deskundigheid en technische middelen ten behoeve van het testen van randapparatuur zoals opgenomen in een document uitgegeven door een deskundige nationale of internationale instelling.
3.
Onze Minister kan de erkenning van een instelling intrekken indien die instelling niet meer voldoet aan de in het tweede lid voor het verlenen van die erkenning opgenomen eisen.
4.
Een erkenning of intrekking daarvan wordt in de Staatscourant bekend gemaakt.
Artikel 53
Een aanvraag om erkenning als bedoeld in artikel 52, eerste lid, wordt schriftelijk ingediend bij Onze Minister met gebruikmaking van een bij Onze Minister verkrijgbaar formulier.
1.
Indien een krachtens artikel 52, eerste lid, erkende testinstelling, een ontvanginrichting ten behoeve van de toelating heeft getest op conformiteit met de daarvoor gestelde technische eisen en op basis van de resultaten van die test tot de bevinding is gekomen dat die ontvanginrichting voldoet aan de gestelde eisen, geeft de testinstelling ten bewijze daarvan een verklaring van conformiteit af.
2.
In een verklaring van conformiteit wordt in elk geval opgenomen:
a. de identificatie van degene op wiens naam de verklaring is opgesteld;
b. de identificatie van de desbetreffende ontvanginrichting;
c. de vermelding van de technische specificaties op basis waarvan de test is uitgevoerd;
d. de identificatie van het testrapport.
3.
Bij een verklaring van conformiteit zijn in elk geval gevoegd:
a. een bijlage met daarin een volledig technisch omschrijving van de desbetreffende ontvanginrichting;
b. een bijlage bestaande uit een gewaarmerkt exemplaar van het testrapport.
4.
Een verklaring van conformiteit wordt opgesteld overeenkomstig een door Onze Minister vastgesteld model. De verklaring en de bijbehorende bijlagen zijn in de Nederlandse of Engelse taal gesteld.
5.
Onze Minister kan bepalen dat een ontvanginrichting van een bepaald model of type voldoet aan de gestelde technische eisen indien deze is voorzien van een in een ander land, overeenkomstig de aldaar geldende regels, afgegeven verklaring van conformiteit van een in dat land erkende testinstelling.
1.
Het is verboden een ontvanginrichting die niet door Onze Minister is toegelaten te installeren.
2.
De aanvraag om toelating van ontvanginrichtingen wordt door een direct belanghebbende schriftelijk ingediend bij Onze Minister met gebruikmaking van een bij Onze Minister verkrijgbaar formulier.
3.
Gelijktijdig met de indiening van de aanvraag om toelating van de ontvanginrichtingen moet daarbij als bijlage worden overgelegd de overeenkomstig artikel 54, eerste lid, afgegeven verklaring van conformiteit met bijbehorende bijlagen voor die zendinrichtingen. De aanvraag en de bijbehorende stukken zijn in de Nederlandse of de Engelse taal gesteld.
1.
De verlening van de toelating geschiedt door afgifte van een verklaring van toelating waarin verder in elk geval zijn opgenomen:
a. de identificatie van degene op wiens naam de verklaring is gesteld;
b. de identificatie van de ontvanginrichtingen waarvoor de verklaring is afgegeven;
c. de identificatie van de verklaring van conformiteit welke bij de aanvraag om toelating zijn overgelegd.
2.
Een verklaring van toelating wordt opgesteld volgens een door Onze Minister vastgesteld model.
3.
Bij elke toegelaten ontvanginrichting dient de verklaring van toelating of een gewaarmerkt afschrift daarvan aanwezig te zijn.
4.
De afgegeven verklaringen van toelating worden vanwege Onze Minister geregistreerd volgens door Onze Minister te stellen regels.
Artikel 57
Een verklaring van toelating mag slechts worden geweigerd:
a. indien bij de aanvraag niet zijn overgelegd de vereiste verklaring van conformiteit en de overige vereiste bescheiden en gegevens;
b. indien de ontvanginrichting niet voldoet aan de krachtens artikel 51, eerste lid, gestelde technische eisen;
c. ten aanzien van ontvanginrichtingen bestemd voor gebruik als randapparatuur, indien daarvoor een verklaring van toelating als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het Besluit randapparatuur BES wordt geweigerd.
Artikel 58
Een verklaring van toelating mag slechts worden ingetrokken indien is gebleken dat het type ontvanginrichting waarvoor een verklaring van toelating is afgegeven:
a. in betekenende mate afwijkt van de bij de aanvraag van toelating overgelegde verklaring van conformiteit en de overige vereiste bescheiden en gegevens;
b. niet of niet meer voldoet aan de krachtens artikel 51, eerste lid, gestelde eisen.
Artikel 59
Het is de ondernemer verboden ontvanginrichtingen die krachtens artikel 51 dienen te voldoen aan door Onze Minister gestelde technische eisen, op het grondgebied van een openbaar lichaam af te leveren, te verhuren of op andere wijze ter beschikking te stellen, indien deze ontvanginrichtingen niet voldoen aan de gestelde technische eisen.
Artikel 60
De houder kan geen aanspraak maken op een storingvrije ontvangst van ethersignalen.
1.
Bij de aanleg, het aanwezig hebben en het gebruik van een ontvanginrichting mag geen storing of belemmering worden veroorzaakt in andere ontvanginrichtingen, zendinrichtingen en overige elektrische of elektronische inrichtingen.
2.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing indien de inrichting welke storing en belemmering ondervindt, niet voldoet hetzij aan bij of krachtens de wet dan wel bij of krachtens enige andere wet ter zake gestelde technische eisen hetzij aan door Onze Minister te stellen redelijke technische eisen.
1.
De door Onze Minister ingevolge artikel 33, eerste lid, van de wet te geven aanwijzingen tot het voorkomen en opheffen van storingen en belemmeringen kunnen betreffen de verplichting voor de houder om binnen zes weken nadat de aanwijzing is gegeven de nodige voorzieningen te treffen aan de ontvanginrichting. Deze aanwijzingen worden schriftelijk gegeven maar kunnen in afwijking daarvan in dringende gevallen door een toezichthoudende ambtenaar mondeling worden gegeven in welk geval zij binnen drie weken schriftelijk dienen te worden bevestigd.
2.
Indien een krachtens het eerste lid gegeven aanwijzing tot het treffen van voorzieningen aan een inrichting niet binnen zes weken zijn opgevolgd, kan een toezichthoudende ambtenaar deze voorzieningen, na voorafgaande schriftelijke waarschuwing, treffen of doen treffen.
Artikel 63
Ten aanzien van de behandeling van klachten over storingen of belemmeringen door ontvanginrichtingen is het bepaalde in artikel 30 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 64
Indien een ontvanginrichting niet langer voldoet aan de technische eisen gesteld krachtens artikel 51, eerste lid, kan een toezichthoudende ambtenaar de ontvanginrichting verzegelen totdat de machtiginghouder deze weer in overeenstemming heeft gebracht met evenbedoelde technische eisen. De kosten van de verzegeling komen ten laste van de machtiginghouder.
1.
Een machtiging van Onze Minister is vereist voor de aanleg, het aanwezig hebben, het gebruik of de exploitatie van ontvanginrichtingen die bestemd zijn voor de ontvangst van niet voor het publiek bestemde, door middel van satellieten uitgezonden, gegevens.
2.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op ontvanginrichtingen uitsluitend bestemd voor de ontvangst van gegevens afkomstig van zendinrichtingen voor het doen van onderzoekingen.
Artikel 66
Een machtiging van Onze Minister is vereist voor ontvanginrichtingen die andere gegevens dan omroepprogramma’s, welke door middel van technische voorzieningen zijn beschermd, kunnen ontvangen en zodanig kunnen omzetten dat deze gegevens van de bescherming ontdaan, beschikbaar komen.
Artikel 67
Onze Minister kan categorieën van ontvanginrichtingen aanwijzen waarvoor een machtiging als bedoeld in de artikelen 65 en 66 niet vereist is.
Artikel 68
Het bepaalde in de artikelen 33 tot en met 37 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van ontvanginrichtingen waarvoor bij dit besluit een machtiging is vereist.
1.
Een ontvanginrichting als bedoeld in dit hoofdstuk mag niet in bedrijf worden genomen alvorens deze door of namens Onze Minister is goedgekeurd. De verlening van de goedkeuring geschiedt door afgifte van een bewijs van goedkeuring waarin in elk geval zijn opgenomen:
a. de identificatie van de houder van de concessie, machtiging, aanvullende machtiging of ontheffing, op wiens naam het bewijs is gesteld;
b. de identificatie van de inrichting waarvoor het bewijs is afgegeven;
c. de apparatuur die deel uitmaakt van de ontvanginrichting;
d. de instel-technische parameters van de apparatuur die deel uitmaakt van de ontvanginrichting.
2.
Om in aanmerking te komen voor een bewijs van goedkeuring dient bij de keuring de machtiginghouder of de houder van een ontheffing ten genoegen van de toezichthoudende ambtenaar aan te tonen dat de inrichting aan de bij of krachtens dit besluit gestelde eisen en aan andere van toepassing zijnde wettelijke of internationale voorschriften voldoet.
3.
Bij elke goedgekeurde ontvanginrichting dient steeds het bewijs van goedkeuring of een namens Onze Minister gewaarmerkt afschrift daarvan aanwezig te zijn.
4.
Het bewijs van goedkeuring voor een ontvanginrichting als bedoeld in het eerste lid vervalt:
a. vijf jaren na de datum van zijn uitreiking of zoveel eerder als de concessie, machtiging, aanvullende machtiging of ontheffing vervalt of wordt ingetrokken;
b. indien wijzigingen worden aangebracht in de ontvanginrichting;
c. indien de toezichthoudende ambtenaar constateert dat de ontvanginrichting niet of niet meer voldoet aan de gestelde technische eisen.
5.
Het bepaalde in het vierde lid, aanhef en onderdelen b en c, vindt eerst toepassing na zes weken ten einde de houder van de concessie, machtiging, aanvullende machtiging of ontheffing in de gelegenheid te stellen de nodige acties te ondernemen opdat binnen die periode de afgifte van een nieuw bewijs van goedkeuring kan plaatsvinden. Indien aan deze bepaling niet wordt voldaan dan dient het gebruik van de ontvanginrichting te worden gestaakt totdat voldaan is aan het gestelde in het eerste lid van dit artikel.
1.
Tot toepassing van de artikelen 15, vijfde lid, en 33, tweede lid, onderdeel c, van de wet, wordt ten aanzien van ontvanginrichtingen als bedoeld in dit hoofdstuk slechts overgegaan nadat de machtiginghouder aan een terzake gegeven schriftelijke waarschuwing geen gevolg heeft gegeven dan wel geen gebruik heeft gemaakt van de hem gedurende een periode van ten minste drie weken geboden gelegenheid om alsnog aan de regels, voorschriften te voldoen.
2.
Het besluit tot het opleggen van een administratieve boete of het intrekken van de machtiging wordt de machtiginghouder schriftelijk medegedeeld.
Artikel 71
Degene die het vervoer van goederen als beroep of bedrijf uitoefent is ten behoeve van het vervoer vrijgesteld van een machtiging bij dit besluit vereist voor ontvanginrichtingen, voorzover deze deugdelijk zijn verpakt en de naam, het adres en de woonplaats van de afzender en de geadresseerde daarbij zijn vermeld.
Artikel 72
Het is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 35, vierde lid, van de wet om:
a. het verbod te overtreden, omschreven in de artikelen 16, 18, vierde lid, 22, eerste lid, 31, 32, eerste lid, 50, 51, vierde lid, 55, eerste lid, en 59;
b. de verplichting het gebruik van de zendinrichting te staken welke ingevolge het bepaalde in artikel 28, eerste lid, onderdeel b, is opgelegd, niet na te leven;
c. indien geen machtiging is vereist op grond van artikel 48, eerste lid, andere frequenties te gebruiken dan die welke ingevolge het tweede lid van dat artikel door Onze Minister zijn aangewezen;
d. ontvanginrichtingen bedoeld in de artikelen 65 en 66 aan te leggen, aanwezig te hebben of te gebruiken zonder de bij die bepalingen gevorderde machtiging.
Artikel 73
Verklaringen van conformiteit die voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit zijn afgegeven voor zend- of ontvanginrichtingen worden aangemerkt als een verklaring van conformiteit als bedoeld in artikel 21, eerste lid, onderscheidenlijk 54, eerste lid.
Artikel 74
Zendinrichtingen en ontvanginrichtingen die behoren tot een model of een type, die zijn toegelaten vóór het tijdstip van het in werking treden van dit besluit worden aangemerkt als inrichtingen die zijn toegelaten ingevolge artikel 22, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 55, eerste lid. In een zodanig geval wordt de vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit verstrekte verklaring van toelating aangemerkt als een verklaring van toelating, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderscheidenlijk 56, eerste lid.
Artikel 75
Bewijzen van goedkeuring die voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit zijn afgegeven voor zend- of ontvanginrichtingen worden aangemerkt als een bewijs van goedkeuring als bedoeld in artikel 38, eerste lid, onderscheidenlijk 69, eerste lid.
Artikel 76
Technische eisen vastgesteld krachtens de artikelen 18, eerste lid, en 51, eerste lid, van het Landsbesluit radio- elektrische zendinrichtingen alsmede technische eisen van vóór 1 januari 1996 als bedoeld in artikel 72 van het Landsbesluit radio-elektrische inrichtingen, voor zover laatst bedoelde eisen niet zijn vervangen door technische eisen ingevolge de artikelen 18, eerste lid, of 51, eerste lid, van het Landsbesluit radio-elektrische zendinrichtingen, blijven gelden tot het tijdstip waarop Onze Minister krachtens de artikelen 18, eerste lid, of 51, eerste lid, nieuwe technische eisen heeft vastgesteld.
Artikel 77
Een erkenning die is verleend krachtens de artikelen 19, eerste lid, of 52, eerste lid, van het Landsbesluit radio-elektrische inrichtingen wordt gelijkgesteld met een erkenning verleend krachtens artikel 19, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 52, eerste lid.
Artikel 78
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit radio-elektrische inrichtingen BES.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Definities
+ Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen met betrekking tot machtigingen en ontheffingen
+ Hoofdstuk 3. Algemene bepalingen voor zendinrichtingen
+ Hoofdstuk 4. Zendinrichtingen waarvoor een machtiging is vereist
+ Hoofdstuk 5. Zendinrichtingen waarvoor geen machtiging is vereist
+ Hoofdstuk 6. Algemene bepalingen voor ontvanginrichtingen
+ Hoofdstuk 7. Ontvanginrichting waarvoor een machtiging is vereist
+ Hoofdstuk 8. Strafbepalingen
+ Hoofdstuk 10. Overgangs- en slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht