1.
De door een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:72, eerste lid, of 3:82, eerste lid, van de wet of door een clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:72, eerste lid, of 3:86, eerste lid, van de wet te verstrekken staten omvatten uitsluitend:
a. gegevens betreffende het eigen vermogen en financiële informatie als bedoeld in de artikelen 99 tot en met 101 van de verordening kapitaalvereisten;
b. gegevens betreffende het aanhouden van balansposten en posten buiten de balanstelling, bedoeld in artikel 394 van de verordening kapitaalvereisten;
c. gegevens inzake de liquiditeit ingevolge artikel 3:63, eerste lid, 3:64 of 3:65 van de wet;
d. gegevens ten behoeve van het depositogarantiestelsel, bedoeld in artikel 3:259, tweede lid, van de wet, betreffende de aangehouden deposito’s die worden gegarandeerd uit hoofde van het depositogarantiestelsel.
2.
De door een entiteit voor risico-acceptatie als bedoeld in artikel 3:72, derde lid, van de wet te verstrekken staten omvatten uitsluitend de gegevens, bedoeld in artikel 325 van de verordening solvabiliteit II.
3.
De door een verzekeraar als bedoeld in artikel 3:72, derde lid, van de wet, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, bijkantoor als bedoeld in artikel 3:82, tweede lid, van de wet, of bijkantoor van een herverzekeraar als bedoeld in artikel 3:86, tweede lid, te verstrekken staten omvatten uitsluitend:
a. de gegevens, bedoeld in titel I, hoofdstuk XIII, afdeling 1, van de verordening solvabiliteit II;
b. andere voor toezichtdoeleinden benodigde periodieke informatie als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de richtlijn solvabiliteit II.
4.
De door een verzekeraar als bedoeld in artikel 3:72, derde lid, van de wet met beperkte risico-omvang of bijkantoor als bedoeld in artikel 3:86, tweede lid, van de wet van een verzekeraar met beperkte risico-omvang te verstrekken staten omvatten uitsluitend:
a. een jaarrekening alsmede aanvullende financiële gegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving van het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet;
b. andere gegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving van de regels met betrekking tot:
2°. de technische voorzieningen ingevolge artikel 3:67, 3:69 of 3:73 van de wet.
5.
De door een betaalinstelling of elektronischgeldinstelling als bedoeld in artikel 3:72, eerste lid, van de wet te verstrekken staten omvatten uitsluitend:
a. balans- en resultatengegevens alsmede aanvullende financiële gegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving van het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet;
b. andere gegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving van de regels met betrekking tot de solvabiliteit ingevolge artikel 3:57, eerste lid, van de wet;
c. voor zover van toepassing een opgave van het gemiddeld uitstaand elektronisch geld.
6.
De door een bijkantoor als bedoeld in artikel 3:77 van de wet te verstrekken staten omvatten uitsluitend gegevens ten behoeve van het toezicht op de liquiditeit ingevolge artikel 3:64.
7.
De door een premiepensioeninstelling als bedoeld in artikel 3:72, eerste lid, van de wet te verstrekken staten omvatten uitsluitend:
a. een jaarrekening alsmede aanvullende financiële gegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving van het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet;
b. andere gegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving van de regels met betrekking tot:
1°. het bedrag aan eigen vermogen ingevolge artikel 3:53 van de wet;
2°. de solvabiliteit ingevolge artikel 3:57 van de wet;
3°. het beleggingsbeleid ingevolge artikel 3:267b van de wet;
4°. informatie inzake de uitgevoerde pensioenregelingen.
8.
De door een beheerder als bedoeld in artikel 3:72, eerste lid, van de wet te verstrekken staten bevatten uitsluitend balans- en resultaatgegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving van de regels met betrekking tot het bedrag aan eigen vermogen ingevolge artikel 3:53 en de solvabiliteit ingevolge artikel 3:57, van de wet.
9.
De door een afwikkelonderneming als bedoeld in artikel 3:72, eerste lid, van de wet te verstrekken staten omvatten uitsluitend:
a. balans- en resultatengegevens alsmede aanvullende gegevens ten behoeve van toezicht op de naleving van het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet;
b. gegevens met betrekking tot de verrichte girale betalingstransacties, bedoeld in de artikelen 2:3.0c, 2:3.0h of 2:3.0m van de wet.
10.
De door een kredietunie als bedoeld in artikel 3:72, eerste lid, van de wet te verstrekken staten omvatten uitsluitend:
a. balans- en resultatengegevens en aanvullende gegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving van het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet;
b. andere gegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving van de regels met betrekking tot:
1°. het bedrag aan eigen vermogen ingevolge artikel 3:53, eerste lid, van de wet;
2°. de solvabiliteit ingevolge artikel 3:57, eerste lid, van de wet;
3°. de liquiditeit ingevolge artikel 3:63, eerste lid, van de wet.
1.
De Nederlandsche Bank stelt, met inachtneming van het bepaalde ingevolge het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet, alsmede met inachtneming van Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en de internationale jaarrekeningstandaarden, regels met betrekking tot de staten, bedoeld in artikel 130. Deze omvatten uitsluitend:
a. de modellen van de staten;
b. de reikwijdte van toepassing van de staten en de mate van detaillering van de in te vullen gegevens; deze omvatten geen uitbreiding of nadere rubricering van de staten;
c. de reikwijdte van de consolidatie overeenkomstig de regels met betrekking tot consolidatie die de financiële onderneming in haar jaarrekening toepast, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit;
d. de waardering van de posten overeenkomstig artikel 3:69a van de wet en artikel 4, derde lid;
e. de te hanteren valuta en rekeneenheid;
f. de afronding;
g. de termijn waarbinnen de staten worden verstrekt, met dien verstande dat deze niet korter is dan noodzakelijk voor de uitoefening van het toezicht op de naleving van het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet en ten behoeve van de uitvoering van de bij of krachtens dat deel gestelde regels met betrekking tot het depositogarantiestelsel; en
h. de frequentie waarmee de staten worden verstrekt, met dien verstande dat deze ten minste een maal per jaar is.
2.
De regels, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b, f, g en h, zijn afgestemd op de aard en de omvang van de financiële onderneming, alsmede op de omvang van de solvabiliteit van de financiële onderneming. De frequentie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, is evenwel niet hoger dan:
a. twaalf maal per jaar voor de staten ten behoeve van het toezicht op de liquiditeit, bedoeld in artikel 130, eerste lid, onderdeel c en zesde lid;
b. een maal per jaar voor de jaarrekening, bedoeld in artikel 130, vierde lid, onderdeel a, en de staten ten behoeve van het toezicht op de technische voorzieningen, bedoeld in artikel 130, vierde, onderdeel b, onder 2°; en
c. vier maal per jaar voor de overige in artikel 130, eerste en vierde lid, genoemde staten;
d. twee maal per jaar voor de in artikel 130, vijfde lid, genoemde staten;
e. een maal per jaar voor de jaarrekening, bedoeld in artikel 130, zevende lid, onderdeel a;
f. vier maal per jaar voor de in artikel 130, zevende lid, onderdeel b, genoemde staten;
g. twee maal per jaar voor de in artikel 130, achtste lid, genoemde staten;
h. tweemaal per jaar voor de in artikel 130, tiende lid, genoemde staten.
3.
De Nederlandsche Bank kan in individuele gevallen besluiten dat een financiële onderneming als bedoeld in artikel 130 periodiek moet melden of haar solvabiliteit of liquiditeit zich boven een door de Nederlandsche Bank vastgestelde signaleringswaarde bevindt. De frequentie van de melding is niet hoger dan een maal per maand en is afgestemd op de aard en de omvang van de financiële onderneming, alsmede op de omvang van de solvabiliteit van de financiële onderneming.
4.
Een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 48, eerste lid, onderdeel j, doet de melding, bedoeld in het derde lid, met redenen omkleed aan de Nederlandsche Bank in elke maand waarin zij niet ingevolge het tweede lid, onderdeel c, staten verstrekt. Zij meldt daarbij in ieder geval wat de waarde van haar toetsingsvermogen is, hoe deze waarde is berekend en hoe deze waarde zich verhoudt tot de waarde van haar toetsingsvermogen zoals vermeld in de laatst verstrekte staten.
5.
De Nederlandsche Bank kan, met inachtneming van artikel 35, zesde tot en met achtste lid, van de richtlijn solvabiliteit II, ontheffing verlenen van:
a. de verplichting periodieke rapportagestaten vaker dan eenmaal per jaar te verstrekken;
b. itemgewijze rapportageverplichtingen.
Artikel 132
Indien een beleggingsonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor risico-acceptatie, bank, kredietunie, verzekeraar of bijkantoor als bedoeld in artikel 130 de staten niet langs elektronische weg verstrekt, kan de Nederlandsche Bank, op verzoek van de financiële onderneming, besluiten dat het de financiële onderneming is toegestaan andere informatiedragers dan de modellen, bedoeld in artikel 131, eerste lid, onderdeel a, te gebruiken, indien deze wat betreft indeling en inhoud geen afwijking vertonen van de modellen.
Artikel 133
Het onderzoek van de staten, bedoeld in artikel 130, door de accountant, uitmondend in een verklaring omtrent de getrouwheid als bedoeld in artikel 3:72, zevende lid, eerste volzin, van de wet, wordt een maal per jaar uitgevoerd. De Nederlandsche Bank stelt regels waarin wordt bepaald welke staten door de accountant in zijn onderzoek worden betrokken, met dien verstande dat een beheerder die een maal per jaar een door een accountant gewaarmerkte jaarrekening verstrekt daarmee voldoet aan de verplichting als bedoeld in artikel 3:72, zevende lid, van de wet. De accountant waarmerkt deze staten.
Inhoudsopgave
- Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Betrouwbaarheid
+ Hoofdstuk 3. Integere uitoefening van het bedrijf
+ Hoofdstuk 4. Beheerste uitoefening van het bedrijf
+ Hoofdstuk 5. Uitbesteden van werkzaamheden
+ Hoofdstuk 5a. Instemmingsvereiste centrale tegenpartij
+ Hoofdstuk 6. Wijzigingen met betrekking tot verstrekte gegevens
+ Hoofdstuk 6a. Veilig stellen geldmiddelen en verlenen krediet door betaalinstellingen en elektronischgeldinstellingen met zetel in Nederland
+ Hoofdstuk 6b. Geregistreerde gedekte obligaties
+ Hoofdstuk 7. Verzekering bijkomende risico’s
+ Hoofdstuk 8. Vertegenwoordiger
+ Hoofdstuk 9. Minimum vermogen
+ Hoofdstuk 10. Solvabiliteit
+ Hoofdstuk 10a. Kapitaalbuffer
+ Hoofdstuk 11. Liquiditeit
+ Hoofdstuk 12. Technische voorzieningen en beleggingsbeleid verzekeraars
+ Hoofdstuk 12a. Beleggingsbeleid premiepensioeninstellingen
- Hoofdstuk 13. Boekhouding en rapportage
+ Hoofdstuk 13a. Effectief verlenen van afwikkeldiensten
+ Hoofdstuk 14. Meldingsplichten van de accountant en de actuaris
+ Hoofdstuk 15. Gekwalificeerde deelnemingen
+ Hoofdstuk 15a. Verlenen betaaldiensten door tussenkomst betaaldienstagent
+ Hoofdstuk 16. Slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht