Besluit van 17 juni 2002 tot uitvoering van artikel 13 van de Rijkswet op het Nederlanderschap, zoals gewijzigd bij Rijkswet van 21 december 2000 (Stb. 2000, 618) (Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 31 januari 2002, Directie Wetgeving, Nr. 5140648/01/6;
Gelet op artikel 13 van de Rijkswet op het Nederlanderschap;
De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 7 maart 2002, nr. W03.02.0051/I/K);
Gezien het nader rapport van de Minister van Justitie van 10 juni 2002, Directie Wetgeving, Nr. 5160434/02/6;
De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Justitie in zijn hoedanigheid van minister van het Koninkrijk;
c. naturalisatie: verlening van het Nederlanderschap als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Rijkswet op het Nederlanderschap;
d. openbaar lichaam: de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
1.
Voor de behandeling van een verklaring van optie is in het Europese deel van Nederland een bedrag van 168 euro verschuldigd, in Curaçao en Sint Maarten een bedrag van 373 Nederlands-Antilliaanse gulden, in een openbaar lichaam een bedrag van 207 USD en in Aruba een bedrag van 373 Arubaanse florin.
2.
In geval van gelijktijdige verklaringen van optie van twee met elkaar gehuwde personen, van twee geregistreerde partners of van twee ongehuwden die in een duurzame relatie anders dan het huwelijk of geregistreerd partnerschap samenleven, is voor de behandeling van de verzoeken in het Europese deel van Nederland een bedrag van 286 euro verschuldigd, in Curaçao en Sint Maarten een bedrag van 634 Nederlands-Antilliaanse gulden , in een openbaar lichaam een bedrag van 353 USD en in Aruba een bedrag van 634 Arubaanse florin.
3.
Indien bij behandeling van een verklaring van optie als bedoeld in het eerste of tweede lid beoogd wordt een minderjarige te laten delen in de verkrijging van het Nederlanderschap als bedoeld in artikel 6, achtste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, wordt het verschuldigde bedrag in het Europese deel van Nederland vermeerderd met een bedrag van 20 euro per kind, in Curaçao en Sint Maarten een bedrag van 44 Nederlandse-Antilliaanse gulden, in een openbaar lichaam een bedrag van 25 USD en in Aruba een bedrag van 44 Arubaanse florin.
1.
Voor de behandeling van het verzoek tot naturalisatie is in het Europese deel van Nederland een bedrag van 789 euro verschuldigd, in Curaçao en Sint Maarten een bedrag van 1749 Nederlandse-Antilliaanse gulden, in een openbaar lichaam een bedrag van 973 USD en in Aruba een bedrag van 1749 Arubaanse florin.
2.
Voor de behandeling van het verzoek tot naturalisatie van de meerderjarige vreemdeling die staatloos is of houder is van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 of artikel 33 van de Vreemdelingenwet 2000 of een vergelijkbare verblijfsvergunning heeft in Curaçao, Sint Maarten, een openbaar lichaam, of Aruba, is in het Europese deel van Nederland een bedrag van 587 euro verschuldigd, in Curaçao of Sint Maarten een bedrag van 1302 Nederlands-Antilliaanse gulden, in een openbaar lichaam een bedrag van 724 USD en in Aruba een bedrag van 1302 Arubaanse florin.
3.
In geval van gelijktijdige verzoeken tot naturalisatie van twee met elkaar gehuwde personen, van twee geregistreerde partners of van twee ongehuwden die in een duurzame relatie anders dan het huwelijk of geregistreerd partnerschap samenleven, is voor de behandeling van de verzoeken in het Europese deel van Nederland een bedrag van 1008 euro verschuldigd, in Curaçao en Sint Maarten een bedrag van 2235 Nederlands-Antilliaanse gulden, in een openbaar lichaam een bedrag van 1243 USD en in Aruba een bedrag van 2235 Arubaanse florin. Indien ten minste één van deze personen een vreemdeling is als bedoeld in het tweede lid, is voor de behandeling van de verzoeken tot naturalisatie respectievelijk 806 euro, 1787 Nederlands-Antilliaanse gulden, 994 USD of 1787 Arubaanse florin verschuldigd.
4.
Voor de behandeling van een verzoek tot medeverlening als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, is in het Europese deel van Nederland een bedrag van 116 euro per kind verschuldigd, in Curaçao en Sint Maarten een bedrag van 257 Nederlandse-Antilliaanse gulden , in een openbaar lichaam een bedrag van 143 USD en in Aruba een bedrag van 257 Arubaanse florin.
1.
Geen betaling is verschuldigd indien het betreft de verklaring van optie of het verzoek tot naturalisatie van een persoon die ingevolge de Wet betreffende de positie van Molukkers als Nederlander wordt behandeld.
2.
Onze Minister kan ontheffing verlenen van de verplichting tot betaling van het verschuldigde bedrag, indien het betreft het verzoek tot naturalisatie:
a. van een minderjarige die zelfstandig een verzoek indient;
b. van een persoon die ingevolge een administratieve vergissing reeds meer dan een jaar als Nederlander is aangemerkt;
c. van een persoon die op grond van het staatsbelang of van zijn verdiensten voor de staat genaturaliseerd wordt.
3.
Het tweede lid, aanhef en onder a en b, is van overeenkomstige toepassing op de behandeling van een verklaring van optie.
4.
Geen ontheffing wordt verleend indien de vergissing, bedoeld in het tweede lid, onder b, het gevolg is van frauduleus of onzorgvuldig handelen van de verzoeker.
5.
Onze Minister kan de bevoegdheid, bedoeld in het tweede en derde lid, mandateren aan degene bij wie de verklaring van optie moet worden afgelegd of het verzoek tot naturalisatie moet worden ingediend. Met betrekking tot buiten het Koninkrijk afgelegde verklaringen van optie en ingediende verzoeken tot naturalisatie, kan Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken de bevoegdheid, bedoeld in het tweede en derde lid, mandateren aan de hoofden van de diplomatieke en consulaire posten.
1.
Indien de verklaring van optie wordt afgelegd of het verzoek tot naturalisatie wordt ingediend in het Europese deel van Nederland, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 2 en 3, voldaan aan de burgemeester van de gemeente waar de betrokkene zijn verklaring van optie aflegt of verzoek tot naturalisatie indient.
2.
Indien de verklaring van optie wordt afgelegd of het verzoek tot naturalisatie wordt ingediend in een openbaar lichaam, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 2 en 3, voldaan aan Onze Minister.
3.
Indien de verklaring van optie wordt afgelegd of het verzoek tot naturalisatie wordt ingediend in Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten wordt het bedrag, bedoeld in artikel 2 en 3, voldaan aan de Gouverneur van Aruba, Curaçao respectievelijk Sint Maarten.
4.
Indien de verklaring van optie wordt afgelegd of het verzoek tot naturalisatie wordt ingediend buiten het Koninkrijk, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 2 en 3, voldaan bij het daartoe door Onze Minister van Buitenlandse Zaken aangewezen hoofd van de diplomatieke of consulaire post.
5.
Het verschuldigde bedrag wordt ineens voldaan.
Artikel 6
Vindt de betaling van het verschuldigde bedrag niet plaats binnen een periode van zes weken na de ontvangst van de verklaring van optie of het verzoek tot naturalisatie, dan wordt de verklaring of het verzoek buiten behandeling gesteld. Indien wordt verzocht om ontheffing van de verplichting tot betaling als bedoeld in artikel 4, tweede of derde lid, wordt deze termijn opgeschort tot de dag waarop op deze verklaring of dit verzoek is beslist.
1.
De burgemeester en de Gouverneur van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten, behouden de wegens de verklaring van optie ontvangen gelden ter vergoeding van de gemaakte kosten. Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post draagt de gelden, bedoeld in de eerste zin, af aan de Minister van Buitenlandse Zaken op de door deze daartoe bepaalde wijze en tijdstippen.
2.
Met betrekking tot de verklaringen van optie, bedoeld in artikel 4, derde lid, kan Onze Minister de burgemeester, de Gouverneur van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten of het hoofd van de diplomatieke of consulaire post op hun verzoek een vergoeding toekennen. Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post dient het verzoek om een vergoeding in door tussenkomst van Onze Minister van Buitenlandse Zaken.
1.
De burgemeester en de Gouverneur van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten, dragen de wegens de verzoeken tot naturalisatie ontvangen gelden onder aftrek van het bedrag, genoemd in het tweede lid, op de door Onze Minister daartoe bepaalde wijze en tijdstippen aan Onze Minister af. Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post draagt de gelden, bedoeld in de eerste zin, op de door Onze Minister daartoe bepaalde wijze en tijdstippen af aan Onze Minister door tussenkomst van Onze Minister van Buitenlandse Zaken.
2.
De afdrachtplichtige ontvangt voor verzoeken tot naturalisatie als bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid, een vergoeding van 168 euro, 373 Nederlands-Antilliaanse gulden, 207 USD dan wel 373 Arubaanse florin. Voor verzoeken tot naturalisatie als bedoeld in artikel 3, derde lid, ontvangt de afdrachtplichtige een vergoeding van 286 euro, 634 Nederlands-Antilliaanse gulden, 353 USD dan wel 634 Arubaanse florin. Met betrekking tot de verzoeken, bedoeld in artikel 4, eerste lid, vindt geen vergoeding plaats. Met betrekking tot de verzoeken, bedoeld in artikel 4, tweede lid, kan Onze Minister de afdrachtplichtige op zijn verzoek een vergoeding toekennen. Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post dient een verzoek om een vergoeding in door tussenkomst van Onze Minister van Buitenlandse Zaken.
3.
Ingeval van een behandeling van een verzoek tot medeverlening als bedoeld in artikel 3, vierde lid, worden de ontvangsten voor de afdrachtplichtige vermeerderd met een bedrag van 20 euro, 44 Nederlands-Antilliaanse gulden, 25 USD dan wel 44 Arubaanse florin per kind.
4.
De afdracht, bedoeld in het eerste lid, geschiedt onder overlegging van een lijst met de namen van de personen, die een verzoek tot naturalisatie hebben ingediend.
5.
Onze Minister regelt bij ministeriële regeling de wijze waarop de juistheid van de afgedragen bedragen wordt vastgesteld.
1.
De bedragen in euro, genoemd in de artikelen 2, 3 en 8, worden jaarlijks per 1 januari gewijzigd met een door Onze Minister vast te stellen percentage, dat overeenkomt met het procentuele verschil tussen het indexcijfer van de cao-lonen per maand, inclusief bijzondere uitkeringen, van volwassenen, zoals dat wordt berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek naar de stand op 30 juni van het voorafgaande jaar en voor de eerste maal, al dan niet voorlopig, wordt bekend gemaakt door het Centraal Bureau voor de Statistiek en het overeenkomstige indexcijfer in het voorafgaande jaar. De bedragen in Nederlands-Antilliaanse gulden, USD en Arubaanse florin, genoemd in de artikelen 2, 3 en 8, worden jaarlijks per 1 januari gewijzigd, na indexering als bedoeld in de eerste volzin, aan de hand van de koers tussen de euro en de Nederlands Antilliaanse gulden, USD en de Arubaanse florin op 1 juli van het voorafgaande jaar.
2.
Het wijzigingspercentage wordt afgerond op tienden van een procent. Daarbij vindt, indien van het in het eerste lid bedoelde procentuele verschil het tweede of een volgend cijfer achter de komma vijf of hoger bedraagt, voor wat betreft die cijfers afronding naar boven plaats.
3.
De overeenkomstig het eerste lid gewijzigde bedragen worden afgerond op hele euro's, Nederlands-Antilliaanse guldens, USD’s dan wel Arubaanse florin, waarbij bedragen eindigend op 50 cent of meer naar boven worden afgerond.
4.
Het percentage, bedoeld in het eerste lid, en de bedragen, bedoeld in het derde lid, worden door Onze Minister bekend gemaakt in daartoe bestemde officiële publicatiebladen.
1.
Het Besluit naturalisatiegelden 1997 wordt ingetrokken.
2.
Op naturalisatieverzoeken die voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit zijn ingediend, blijft het in het eerste lid genoemde besluit van toepassing.
Artikel 11
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002.
Artikel 12
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor elk van de landen van het Koninkrijk verschillend kan worden vastgesteld.
Lasten en bevelen, dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad, in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad van Aruba zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 17 juni 2002
De Minister van Justitie,
Uitgegeven de zevenentwintigste juni 2002
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 11
Artikel 12
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht