Besluit van 25 april 1994, houdende ontheffing van de verplichting te beschikken over het minimum bedrag van het garantiefonds voor levensverzekeraars
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 15 april 1994, no. BGW94-448, Generale Thesaurie, Directie Binnenlands Geldwezen, Afdeling Verzekeringswezen;
Gelet op artikel 69, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993;
Gezien het advies van de Verzekeringskamer;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
Onder de in artikel 2 gestelde beperkingen worden de volgende verzekeraars ontheven van de verplichting te beschikken over het minimum bedrag van het garantiefonds, bedoeld in artikel 68, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993:
a. Wederkerige Verzekeringmaatschappij «Begrafenis Sociëteit» W.A., gevestigd te Edam;
b. Onderling Fonds Sliedrecht B.A., gevestigd te Sliedrecht;
c. Tiels Onderling Fonds tot uitkering bij overlijden «Gustaaf Adolf» U.A., gevestigd te Tiel.
Artikel 2
Een in artikel 1 genoemde verzekeraar:
a. beperkt de bedrijfsuitoefening tot het uitsluitend of nagenoeg uitsluitend verzekeren van uitkeringen bij overlijden, waarvan het bedrag per verzekerde niet groter is dan het gemiddelde bedrag van de kosten van uitvaart; en
b. strekt de bedrijfsuitoefening niet uit buiten Nederland.
Artikel 3
Wij kunnen een in artikel 1 bedoelde ontheffing intrekken.
Artikel 4
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 1994.
Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit dat in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 25 april 1994
De Minister van Financiën,
Uitgegeven de tiende mei 1994
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht