Besluit eindexamens v.w.o., h.a.v.o., v.s.b.o. BES
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
b. school: een dagschool, avondschool of dagavondschool voor onderscheidenlijk voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (v.w.o.), hoger algemeen voortgezet onderwijs (h.a.v.o.) en voorbereidend secundair beroepsonderwijs (v.s.b.o.);
c. inspectie: de inspectie, bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht ;
d. openbare school: een door een van de openbaar lichamen in stand gehouden school;
e. bijzondere school: een door een natuurlijke persoon of door een privaatrechtelijke rechtspersoon in stand gehouden school;
f. bevoegd gezag: voor wat betreft:
a. een openbare school:
1°. het bestuurscollege van het desbetreffende openbare lichaam, of
2°. het openbaar orgaan, bedoeld in artikel 40a van de Wet voortgezet onderwijs BES;
b. een bijzondere school: het schoolbestuur;
g. directeur: de rector of directeur van een school, als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES of diens waarnemer;
h. adjunct-directeur: de conrector of adjunct-directeur van een school, als bedoeld in artikel 34, derde lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES ;
i. kandidaat: een leerling als bedoeld in artikel 2, eerste lid;
j. examinator: een leraar van wie de leerling onderwijs heeft ontvangen in het schooljaar waarin de leerling eindexamen aflegt en die het eindexamen in één of meer vakken afneemt, of diens door de directeur aangewezen plaatsvervanger;
k. gecommitteerde: een gecommitteerde als bedoeld in artikel 32, derde lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES;
l. surveillant: de directeur of een door hem aangewezen leraar die toezicht houdt tijdens het examen;
m. eindexamen: het schoolexamen en het centraal examen in alle vakken, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de desbetreffende scholen, tenzij het tegendeel blijkt;
n. deeleindexamen: het schoolexamen en het centraal examen in één of meer vakken, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de desbetreffende scholen;
o. certificaat: een aan een kandidaat afgegeven bewijs, waarop één of meer vakken vermeld staan, waarvoor een eindcijfer van een 6 of meer is behaald;
p. bewijs van kennis: een bewijs van een, bij een eindexamen, met goed gevolg afgelegd examen in een vak, waarin ten minste een zeven als eindcijfer is behaald, met dien verstande dat het cijfer van het schoolexamen en, indien van toepassing, van het centraal examen van dat vak ten minste 6,0 bedraagt;
q. bewijs van vrijstelling: een bewijs, als bedoeld in artikel 48.
r. profielwerkstuk: een werkstuk, waarin op geïntegreerde wijze kennis, inzicht en vaardigheden die van betekenis zijn in het desbetreffende profiel, aan de orde komen.
s. sectorwerkstuk: een werkstuk waarin een thema uit de sector waarin de leerling het onderwijs volgt, aan de orde komt.
t. aanvullend examen: een landsexamen in één vak voor een kandidaat die in hetzelfde schooljaar een eindexamen aflegt;
u. landsexamencommissie: een landsexamencommissie, als bedoeld in artikel 57, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES;
v. examenstof: de aan de kandidaat te stellen eisen;
w. Hoofd van het Examenbureau: degene die leiding geeft aan de uitvoerende dienst binnen het Ministerie van Onderwijs,Cultuur en Wetenschap en belast is met de verantwoordelijkheid voor de constructie en normering van de centrale examens.
1.
Het bevoegd gezag stelt de leerlingen van een school in de gelegenheid ter afsluiting van het desbetreffende onderwijs een eindexamen af te leggen.
2.
Het bevoegd gezag van een avondschool of een dagavondschool stelt de leerlingen in de gelegenheid om eindexamen dan wel deeleindexamen af te leggen.
3.
Het bevoegd gezag kan tot het eindexamen dan wel het deeleindexamen toelaten kandidaten die niet als leerling van de school zijn ingeschreven.
4.
Het bevoegd gezag van een school, als bedoeld in het tweede lid, kan tot het deeleindexamen toelaten kandidaten die niet als leerling van de school zijn ingeschreven.
5.
De voorwaarde om toegelaten te worden tot een deeleindexamen is:
a. de kandidaat heeft eerder een eindexamen v.w.o, h.a.v.o. of v.s.b.o. afgelegd, of,
b. de leeftijd van de kandidaat moet op 1 april van het jaar waarin het deeleindexamen wordt afgenomen zijn:
1. voor v.s.b.o.-kandidaten 17 jaar of ouder;
2. voor h.a.v.o.-kandidaten 18 jaar of ouder;
3. voor v.w.o.-kandidaten 19 jaar of ouder.
1.
Het eindexamen bestaat voor ieder vak uit een schoolexamen en, voorzover dat is aangegeven in het eindexamenprogramma, genoemd in artikel 7, tevens uit een centraal examen.
2.
Het schoolexamen v.w.o. en h.a.v.o. omvat mede een profielwerkstuk. Het bevoegd gezag bepaalt op welk vak of welke vakken binnen het profiel van de kandidaat het profielwerkstuk betrekking heeft.
3.
Het schoolexamen v.s.b.o., voor zover het betreft de theoretische kadergerichte leerweg, genoemd in artikel 11 van de Wet voortgezet onderwijs BES, omvat mede een sectorwerkstuk. Het sectorwerkstuk heeft betrekking op ten minste twee vakken, twee deelvakken of een vak en een deelvak. Deze vakken en deelvakken behoren tot het desbetreffende sectordeel.
4.
Het schoolexamen v.s.b.o, omvat naast het werkstuk genoemd in het derde lid, bovendien een cultureel artistiek werkstuk.
5.
De taal waarin de toetsing van literatuur, het profielwerkstuk, de eventuele presentatie ervan, en het sectorwerkstuk kan worden opgesteld, is naar keuze van de kandidaat één van de talen die op de school worden aangeboden. Op met redenen omkleed verzoek van de directeur kan in geval dat het bepaalde in de eerste volzin praktisch niet uitvoerbaar blijkt te zijn, de inspectie afwijking van de eerste volzin toestaan.
1.
Het eindexamen v.w.o. omvat:
a. de vakken van het gemeenschappelijk deel van elk profiel, genoemd in artikel 19, eerste en tweede lid, van het Besluit scholen v.w.o., h.a.v.o., v.s.b.o. BES, met dien verstande dat, indien het bevoegd gezag hiervoor heeft gekozen, voor de bepaling van de eindcijfers de onderdelen literatuur van de talen tezamen als het vak literatuur van het gemeenschappelijk deel worden aangemerkt.
b. de vakken van het profieldeel van een van de profielen, genoemd in artikel 19, vijfde tot en met achtste lid, van het Besluit scholen v.w.o., h.a.v.o., v.s.b.o. BES, waaronder tevens begrepen een profielwerkstuk, en
c. vakken en andere programmaonderdelen van het vrije deel van elk profiel, genoemd in artikel 19, negende lid, van het Besluit scholen v.w.o., h.a.v.o., v.s.b.o. BES met dien verstande dat door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en andere programmaonderdelen onderdeel zijn van het eindexamen uitsluitend voorzover Onze Minister daarvoor goedkeuring heeft verleend.
2.
In afwijking van het eerste lid is de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een school voor v.w.o., bij het eindexamen vrijgesteld van de vakken, waarvoor hij een bewijs van kennis of een certificaat kan overleggen.
3.
In afwijking van het eerste lid is de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een school voor v.w.o. en in het bezit is van het diploma h.a.v.o., bij het eindexamen vrijgesteld van de volgende vakken van het gemeenschappelijk deel: algemene natuurwetenschappen, algemene sociale wetenschappen en culturele artistieke vorming.
4.
In afwijking van het eerste lid is de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een avondschool of dagavondschool bij het eindexamen vrijgesteld van de vakken culturele en artistieke vorming en lichamelijke opvoeding van het gemeenschappelijk deel.
1.
Het eindexamen h.a.v.o. omvat:
a. de vakken van het gemeenschappelijk deel van elk profiel, genoemd in artikel 19a, eerste tot en met derde lid, van het Besluit scholen v.w.o., h.a.v.o., v.s.b.o. BES;
b. de vakken van het profieldeel van een van de profielen, genoemd in artikel 19a, vierde tot en met zevende lid, van het Besluit scholen v.w.o., h.a.v.o., v.s.b.o. BES, waaronder tevens begrepen een profielwerkstuk, en
c. vakken en andere programmaonderdelen van het vrije deel van elk profiel, genoemd in artikel 19a, achtste lid, van het Besluit scholen v.w.o., h.a.v.o., v.s.b.o. BES met dien verstande dat door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en andere programmaonderdelen onderdeel zijn van het eindexamen uitsluitend voorzover Onze Minister daaraan goedkeuring heeft verleend.
2.
In afwijking van het eerste lid is de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een school voor h.a.v.o., bij het eindexamen vrijgesteld van de vakken, waarvoor hij een bewijs van kennis of een certificaat kan overleggen.
3.
In afwijking van het eerste lid is de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een avondschool of dagavondschool, bij het eindexamen vrijgesteld van de vakken culturele en artistieke vorming en lichamelijke opvoeding van het gemeenschappelijk deel.
1.
Het eindexamen v.s.b.o. omvat:
b. de twee vakken en het sectorprogramma in het sectordeel ingevolge artikel 20, vijfde lid, van het Besluit scholen v.w.o., h.a.v.o., v.s.b.o. BES, waaronder voor de theoretisch kadergerichte leerweg tevens begrepen een sectorwerkstuk, en
2.
In afwijking van het eerste lid is de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een school voor v.s.b.o., bij het eindexamen vrijgesteld van de vakken, deelvakken en sectorprogramma, waarvoor hij een bewijs van kennis kan overleggen.
3.
In afwijking van het eerste lid is de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een avondschool of dagavondschool, vrijgesteld van de vakken lichamelijke opvoeding en culturele en artistieke vorming van het gemeenschappelijk deel.
1.
Bij ministeriële regeling wordt voor elk onderwijssoort, met uitzondering van het arbeidsgericht onderwijs, het eindexamenprogramma vastgesteld.
2.
In het eindexamenprogramma, bedoeld in het eerste lid, wordt voor alle vakken en deelvakken, met uitzondering van de vakken, bedoeld in de artikelen 19, negende lid onderdeel b, en 19a, achtste lid onderdeel b en 21 van het Besluit scholen v.w.o., h.a.v.o., v.s.b.o. BES en alle sectorprogramma’s, aangegeven:
a. een omschrijving van de examenstof;
b. het deel van de examenstof dat centraal zal worden geëxamineerd,
c. het deel van de examenstof dat tijdens het schoolexamen zal worden geëxamineerd en zonodig de wijze van toetsing;
d. het aantal toetsen van het centraal examen, de wijze van toetsing, hun tijdsduur en, indien van toepassing, de toegestane hulpmiddelen.
3.
De examenprogramma’s voor zover het betreft leerwegen in het v.s.b.o. kunnen voorzien in differentiaties waaruit een leerling een keuze maakt.
1.
Het deelexamen en eindexamen wordt onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag afgenomen door de examencommissie, bedoeld in het tweede lid.
2.
De examencommissie bestaat uit de directeur en de examinatoren van de desbetreffende school. De directeur is voorzitter van de examencommissie. De directeur wijst één van de personeelsleden van de school aan als secretaris van de examencommissie.
3.
De voorzitter draagt zorg voor een goed verloop van het eindexamen.
4.
Het centraal examen staat onder toezicht van de gecommitteerden.
1.
Van alle vakken, deelvakken en programmaonderdelen, bedoeld in de artikelen 19, 19a en 20 van het Besluit scholen v.w.o., h.a.v.o., v.s.b.o. BES, behalve van door het bevoegd gezag vast te stellen vakken die geen onderdeel zijn van het eindexamen, wordt een schoolexamen afgenomen.
2.
Het bevoegd gezag bepaalt het tijdstip waarop het schoolexamen aanvangt. Het schoolexamen wordt tenminste tien dagen vóór de aanvang van het centraal examen afgesloten.
3.
Het bevoegd gezag kan in afwijking van het tweede lid, tweede volzin, een kandidaat die ten gevolg van ziekte of een andere van zijn wil onafhankelijke omstandigheid het schoolexamen niet heeft kunnen afsluiten voor de aanvang van het eerste tijdvak, in de gelegenheid stellen het schoolexamen in dat vak af te sluiten na de aanvang van het eerste tijdvak doch vóór het centraal examen in dat vak.
4.
In afwijking van het tweede lid, tweede volzin, geldt voor het h.a.v.o. dan wel v.w.o. dat het schoolexamen voor de vakken lichamelijke opvoeding, culturele en artistieke vorming 1 en het profielwerkstuk uiterlijk moeten zijn afgesloten op een datum gelegen na de aanvang van het eerste tijdvak van het centraal examen, doch uiterlijk een week voor de aanvang van het tweede tijdvak. In geval van een afwijking in de zin van de eerste volzin zendt het bevoegd gezag de met het schoolexamen en het profielwerkstuk behaalde resultaten zo spoedig mogelijk aan de inspectie.
5.
In afwijking van het tweede lid, tweede volzin, geldt voor het v.s.b.o. dat het schoolexamen voor de vakken waarin geen centraal examen wordt afgelegd en het sectorwerkstuk uiterlijk moeten zijn afgesloten op een datum gelegen na de aanvang van het eerste tijdvak van het centraal examen, doch uiterlijk een week voor de aanvang van het tweede tijdvak. In geval van een afwijking in de zin van de eerste volzin zendt het bevoegd gezag de met het schoolexamen en het sectorwerkstuk behaalde resultaten zo spoedig mogelijk aan de inspectie.
1.
Het schoolexamen in een vak bestaat uit mondelinge, schriftelijke of praktische toetsen dan wel een combinatie daarvan.
2.
Van iedere beoordeling die bij het bepalen van het eindoordeel over een kandidaat meetelt, stelt de examinator de kandidaat zo spoedig mogelijk in kennis.
Artikel 11
Het schoolexamen bestaat uit een examendossier. Het examendossier is het geheel van de onderdelen van het schoolexamen zoals gedocumenteerd in een door het bevoegd gezag gekozen vorm.
1.
Het bevoegd gezag stelt een examenreglement vast. Het examenreglement bevat in elk geval informatie over de maatregelen, bedoeld in artikel 13, en de toepassing daarvan, alsmede regels met betrekking tot de organisatie van het eindexamen, de gang van zaken tijdens het eindexamen, het herexamen van het schoolexamen. Ten aanzien van het herexamen wordt in elk geval bepaald, in welke gevallen een herexamen mogelijk is. Ook kan worden bepaald dat tot die gevallen kunnen behoren gevallen dat de kandidaat door ziekte of als gevolg van een bijzondere, van zijn wil onafhankelijke omstandigheid, niet in staat is geweest aan de desbetreffende toets deel te nemen.
2.
Het bevoegd gezag stelt jaarlijks vóór 1 augustus een programma van toetsing en afsluiting vast, dat in elk geval betrekking heeft op het desbetreffende schooljaar. In het programma wordt in elk geval aangegeven welke onderdelen van het examenprogramma in het schoolexamen worden getoetst, de inhoud van de onderdelen van het schoolexamen, de wijze waarop het schoolexamen plaatsvindt, de tijdvakken waarbinnen de toetsen van het schoolexamen aanvangen, het herexamen daaronder mede begrepen de wijze van herexamen van het schoolexamen, alsmede de regels voor de wijze waarop de beoordeling van toetsen en de totstandkoming van cijfers voor het schoolexamen voor een kandidaat tot stand komt.
3.
Het examenreglement en het programma van toetsing en afsluiting worden door de directeur vóór 1 augustus toegezonden aan de inspectie en verstrekt aan de kandidaten.
1.
Indien een kandidaat zich aan het schoolexamen onttrekt of zich aan enige andere onregelmatigheid ten aanzien van het schoolexamen schuldig maakt, kan, ongeacht hetgeen daaromtrent nader in de regeling wordt bepaald, de voorzitter van de examencommissie, na overleg met de inspectie:
a. de kandidaat de deelname aan één of meer delen van het schoolexamen ontzeggen;
b. één of meer toetsen van het reeds afgelegde deel van het schoolexamen van de kandidaat ongeldig verklaren;
c. het cijfer 1 voor een toets van het schoolexamen van de kandidaat toekennen.
2.
Een beslissing als bedoeld in het eerste lid, wordt niet genomen dan nadat de kandidaat en bij minderjarigheid van de kandidaat in aanwezigheid van diens ouders, voogden of verzorgers, in de gelegenheid is gesteld om zich te verweren.
3.
Een beslissing als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, houdt ontzegging van deelname aan het centraal examen in.
4.
Een beslissing als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, houdt in dat de kandidaat op een door de voorzitter van de examencommissie te bepalen tijdstip in de gelegenheid moet worden gesteld de ongeldig verklaarde toetsen wederom af te leggen.
5.
Van een beslissing als bedoeld in het eerste lid, stelt de voorzitter van de examencommissie de kandidaat, en bij minderjarigheid van de kandidaat ook diens ouders, voogden of verzorgers van de kandidaat, en de inspectie schriftelijk binnen drie dagen in kennis.
6.
Na in kennis te zijn gesteld kan de kandidaat tegen een schriftelijke beslissing van de voorzitter van de examencommissie binnen drie dagen schriftelijk in beroep gaan bij de inspectie.
7.
In het geval van het zesde lid stelt de inspectie een onderzoek in en beslist binnen twee weken op het beroep. Hij kan de termijn, bedoeld in de vorige volzin, met redenen omkleed verlengen met ten hoogste twee weken. De inspectie deelt zijn beslissing schriftelijk mede aan de kandidaat en de voorzitter van de examencommissie.
1.
De examinator drukt zijn eindoordeel over kennis, inzicht en vaardigheden van een kandidaat in elk vak uit in een cijfer voor het schoolexamen.
2.
Daartoe wordt gebruikt één van de cijfers 1 tot en met 10, met de daartussen liggende cijfers met een decimaal. In deze schaal van cijfers komt aan de gehele cijfers 1 tot en met 10 de volgende betekenis toe:
3.
In afwijking van het tweede lid wordt het cijfer van het schoolexamen voor een vak, waarvan geen centraal examen wordt afgenomen, afgerond op een geheel getal.
4.
Voor zover een kandidaat door twee of meer leraren gezamenlijk is geëxamineerd, bepalen deze leraren in onderling overleg het cijfer voor het schoolexamen.
5.
Indien de leraren niet tot overeenstemming komen, wordt het cijfer bepaald op het rekenkundige gemiddelde van hun beoordeling. Indien bedoeld gemiddelde een cijfer met twee of meer decimalen is, wordt dit cijfer afgerond op de eerste decimaal, met dien verstande dat deze decimaal met 1 wordt verhoogd indien de tweede decimaal zonder afronding 5 of hoger is.
6.
In afwijking van het tweede lid, worden het deelvak culturele en artistieke vorming 1 en het deelvak lichamelijke opvoeding 1 uit het gemeenschappelijk deel van elk profiel, beoordeeld met «voldoende» of «goed». Deze beoordeling gaat uit van de mogelijkheden van de leerling en geschiedt op de grondslag van het genoegzaam afsluiten van de desbetreffende deelvakken, zoals blijkend uit het examendossier. De eerste en tweede volzin zijn van overeenkomstige toepassing op het vak culturele en artistieke vorming en het vak lichamelijke opvoeding uit het gemeenschappelijk deel van elke leerweg.
7.
In afwijking van het tweede lid wordt het sectorwerkstuk beoordeeld met «voldoende» of «goed». Deze beoordeling geschiedt op de grondslag van het genoegzaam voltooien van het sectorwerkstuk, zoals blijkend uit het examendossier. Het sectorwerkstuk wordt beoordeeld door ten minste twee examinatoren die de kandidaat hebben begeleid bij de totstandkoming daarvan.
1.
Het bevoegd gezag kan bepalen dat de kandidaat die eindexamen of deeleindexamen aflegt, in één vak van het schoolexamen waarin geen centraal examen wordt afgenomen, herexamen kan afleggen. Het herexamen omvat door het bevoegd gezag aangegeven onderdelen van het examenprogramma.
2.
Het bevoegd gezag stelt vast hoe het cijfer van het in het eerste lid bedoelde herexamen wordt bepaald. Het hoogste van de cijfers behaald bij het herexamen in een vak en bij het eerder afgelegde schoolexamen in dat vak geldt als het definitieve cijfer van het schoolexamen in dat vak.
Artikel 16
Voor de aanvang van het centraal examen maakt de voorzitter van de examencommissie aan de kandidaat en bij minderjarigheid van de kandidaat ook diens ouders, voogden of verzorgers, schriftelijk bekend, voorzover van toepassing:
a. welke cijfers hij heeft behaald voor het schoolexamen,
b. de beoordeling van de vakken waarvoor geen cijfer wordt vastgesteld, en
c. de beoordeling van het sectorwerkstuk.
Artikel 17
[vervallen]
1.
Onze Minister wijst voor elke school één of meer gecommitteerden aan. De aanwijzing geldt tot na afloop van de herkansing. Indien dit door de inspectie wordt verzocht, stelt het bevoegd gezag gecommitteerden ter aanwijzing voor.
2.
Indien Onze Minister op grond van het eerste lid, tweede volzin, een leraar van een school heeft aangewezen als gecommitteerde ten behoeve van een andere school, draagt het bevoegd gezag van de eerstgenoemde school er zorg voor, dat de leraar diens verplichting kan nakomen.
3.
De gecommitteerden ontvangen uit ’s Rijks kas een bij ministeriële regeling vastgestelde beloning voor de door hen verrichte werkzaamheden en een vergoeding van reis en verblijfskosten.
1.
Het centraal examen kent een eerste, tweede en derde tijdvak.
2.
Het eerste en tweede tijdvak worden afgenomen in het laatste leerjaar.
3.
Het derde tijdvak wordt aansluitend aan het laatste leerjaar afgenomen door de landsexamencommissie.
4.
Onze Minister kan vakken aanwijzen waarin volgens zijn aanwijzingen het eindexamen in een of meer tijdvakken wordt afgenomen door de landsexamencommissie.
5.
Bij toepassing van het derde of vierde lid, leveren de kandidaten de opgaven, de door hen gemaakte aantekeningen alsmede andere door hen gemaakte stukken in bij een van degenen die toezicht houden. De voorzitter van de landsexamencommissie bepaalt, in welke gevallen wordt afgeweken van de eerste volzin, alsmede in welke gevallen en op welk tijdstip de opgaven, de aantekeningen en de andere stukken, bedoeld in die volzin, aan de kandidaten worden teruggegeven.
6.
De voorzitter van de landsexamencommissie kan bij toepassing van het derde of vierde lid een locatie aanwijzen, waar de examens worden afgenomen.
1.
De voorzitter van de examencommissie deelt jaarlijks voor 1 november aan het Hoofd van het Examenbureau en aan de inspectie mede hoeveel kandidaten in elk vak aan het centraal examen in het eerste tijdvak zullen deelnemen.
2.
De voorzitter van de examencommissie zendt jaarlijks ten minste drie dagen voor de aanvang van de centrale examens in het eerste tijdvak, aan de inspectie een lijst waarop voor iedere kandidaat vermeld staat in welke vakken hij centraal examen zal afleggen en waarop is aangegeven welke cijfers de kandidaat voor het schoolexamen heeft behaald. Voor de aanvang van het tweede tijdvak worden een lijst met de kandidaten, de in het eerste tijdvak door die kandidaten behaalde cijfers, de, voor zover van toepassing, alsnog behaalde cijfers voor het schoolexamen, alsmede een overzicht van het vak of de vakken waarin elke kandidaat examen zal afleggen, aan de inspectie gezonden.
3.
Indien een examenprogramma differentiaties kent als bedoeld in artikel 7, derde lid, kan een kandidaat per tijdvak in niet meer differentiaties centraal examen afleggen dan volgens het desbetreffende programma is vereist.
1.
De voorzitter van de examencommissie kan toestaan dat een gehandicapte kandidaat het examen geheel of gedeeltelijk aflegt op een wijze die is aangepast aan de mogelijkheden van die kandidaat. In dat geval bepaalt de voorzitter van de examencommissie de wijze waarop het examen zal worden afgelegd. Hij doet hiervan zo spoedig mogelijk mededeling aan de inspectie.
2.
Tenzij sprake is van een objectief waarneembare lichamelijke handicap, geldt ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde aangepaste wijze van examineren dat:
a. er een deskundigenverklaring is die door een ter zake deskundige psycholoog of orthopedagoog is opgesteld,
b. de aanpassing voor zover betrekking hebbend op het centraal examen in ieder geval kan bestaan uit een verlenging van de duur van de desbetreffende toets van het centraal examen met ten hoogste 30 minuten, en
c. een andere aanpassing slechts kan worden toegestaan voor zover daartoe in de onder a. genoemde deskundigenverklaring ten aanzien van betrokkene een voorstel wordt gedaan dan wel indien de aanpassing aantoonbaar aansluit bij de begeleidingsadviezen, vermeld in die deskundigenverklaring.
3.
Van elke afwijking op grond van het tweede lid wordt mededeling gedaan aan de inspectie.
1.
De opgaven en de bijbehorende beoordelingsnormen voor de vakken van het centraal examen zijn opgesteld in de instructietaal van de school of van de leerweg binnen die school en zijn voor alle kandidaten gelijk.
2.
Het Hoofd van het Examenbureau draagt zorg voor de constructie van de examenopgaven met bijbehorende beoordelingsnormen van dat gedeelte van het centraal examen dat verschilt van het centraal examen van Nederland en stelt de examenopgaven en de bijbehorende beoordelingsnormen vast.
1.
Het Hoofd van het Examenbureau zorgt ervoor dat de opgaven en de beoordelingsnormen, bedoeld in artikel 22, tweede lid, tijdig worden gedrukt en verzonden aan de voorzitter van de examencommissie.
2.
De voorzitter van de examencommissie zorgt ervoor, dat de opgaven voor het centraal examen geheim blijven tot de aanvang van de toets waarbij deze opgaven aan de kandidaten worden voorgelegd. Het Hoofd van het Examenbureau kan opgaven aanwijzen waarop de eerste volzin niet van toepassing is.
1.
Het toezicht tijdens het centraal examen is opgedragen aan de door de voorzitter van de examencommissie aangewezen surveillanten.
2.
In elk lokaal van een school waar een centraal examen wordt afgenomen, zijn ten minste twee surveillanten aanwezig.
3.
In bijzondere gevallen kan de inspectie bepalen dat van het tweede lid afgeweken wordt.
1.
De voorzitter van de examencommissie of een door hem aangewezen lid van de examencommissie stelt de kandidaten vóór de aanvang van het centraal examen in kennis van alle aangelegenheden waarvan zij op de hoogte dienen te zijn.
2.
De pakketten met de in artikel 23, eerste lid, bedoelde opgaven worden, nadat de surveillanten de gegevens daarop hebben gecontroleerd en in orde bevonden, in tegenwoordigheid van de kandidaten geopend bij de aanvang van het centraal examen. Indien de kandidaten in meer dan één lokaal zijn geplaatst, geschiedt de opening in één van deze lokalen.
3.
Nadat de pakketten zijn geopend, mogen omtrent de examenopgaven geen mededelingen of inlichtingen aan de kandidaten worden verstrekt, tenzij door of namens het Hoofd van het Examenbureau daartoe opdracht is gegeven.
1.
Het centraal examen wordt gemaakt op gewaarmerkt papier dat is verstrekt door of namens de voorzitter van de examencommissie, tenzij door het Hoofd van het Examenbureau ander papier is verstrekt. Kladpapier wordt gewaarmerkt en verstrekt door of vanwege de voorzitter van de examencommissie.
2.
Bij het centraal examen is alleen het gebruik van die boeken, logaritmetafels, tabellen en andere hulpmiddelen toegestaan die op grond van artikel 7, tweede lid onderdeel d, zijn toegestaan. Deze boeken, logaritmetafels, tabellen en andere hulpmiddelen zijn in het examenlokaal aanwezig en worden vóór de aanvang van het centraal examen door de voorzitter van de examencommissie of een door hem aangewezen leraar onderzocht.
1.
Gedurende het centraal examen verlaten de kandidaten niet zonder toestemming van een surveillant het examenlokaal.
2.
Een kandidaat wordt tot uiterlijk een half uur na de aanvang van het centraal examen tot dat centraal examen toegelaten.
3.
Een kandidaat die na de aanvang van het centraal examen tot het centraal examen is toegelaten, levert zijn werk uiterlijk in op hetzelfde tijdstip dat voor de andere kandidaten geldt.
4.
In bijzondere gevallen kan de voorzitter van de examencommissie, de inspectie gehoord, afwijken van de tijdstippen, bedoeld in het tweede en derde lid, met dien verstande dat de duur van de toets niet wordt overschreden.
5.
De aan de kandidaten voorgelegde opgaven voor een toets van het centraal examen blijven in het examenlokaal tot het einde van die toets.
Artikel 28
De surveillanten maken na afloop proces-verbaal op van het centraal examen en leveren dit in bij de voorzitter van de examencommissie.
1.
Indien een kandidaat om een geldige reden ter beoordeling van de voorzitter van de examencommissie is verhinderd bij één of meer toetsen in het eerste tijdvak tegenwoordig te zijn, wordt hem in het tweede tijdvak de gelegenheid gegeven het centraal examen te voltooien. In overleg met de inspectie bepaalt de voorzitter van de examencommissie hoeveel toetsen maximaal afgenomen worden. Indien artikel 19, vierde lid, toepassing vindt, wordt gelegenheid gegeven het centraal examen op meer dan twee toetsen te voltooien, afhankelijk van de feitelijke mogelijkheden.
2.
Indien een kandidaat in het tweede tijdvak evenzeer verhinderd is, of wanneer hij het centraal examen in het tweede tijdvak niet kan voltooien, wordt hij in de gelegenheid gesteld in het derde tijdvak ten overstaan van de landsexamencommissie zijn eindexamen te voltooien.
3.
De kandidaat meldt zich zo spoedig mogelijk, in geval van een examen aan een van de scholen door tussenkomst van de voorzitter van de examencommissie aan bij de voorzitter van de landsexamencommissie. In geval dat ten behoeve van de kandidaat toepassing is gegeven aan artikel 21, eerste, tweede dan wel derde lid, deelt de voorzitter van de examencommissie dit en waaruit de toepassing bestaat, tevens mede aan de voorzitter van de landsexamencommissie.
4.
Na afloop van het derde tijdvak deelt de voorzitter van de landsexamencommissie het resultaat mede aan de voorzitter van de examencommissie.
1.
De voorzitter van de examencommissie doet het gemaakte werk van het centraal examen met een exemplaar van de opgaven, een exemplaar van de beoordelingsnormen en het proces-verbaal van het examen toekomen aan de examinator van het desbetreffende vak.
2.
De examinator beoordeelt het examenwerk zo spoedig mogelijk en retourneert dit aan de voorzitter van de examencommissie
3.
De voorzitter van de examencommissie zendt het door de examinator beoordeelde examenwerk onverwijld aan de betrokken gecommitteerde.
4.
De gecommitteerde beoordeelt het examenwerk zo spoedig mogelijk en retourneert dit aan de voorzitter van de examencommissie.
5.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gegeven met betrekking tot de beoordelingsprocedure, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid.
1.
De voorzitter van de examencommissie draagt er zorg voor dat tijdens het praktisch gedeelte van het centraal examen van een eindexamen v.s.b.o. de examinator in het desbetreffende vak of programma aanwezig is. De examinator beoordeelt de prestaties tijdens het maken van de praktijkopgaven en legt zijn bevindingen van de verrichtingen van de kandidaat schriftelijk vast. De examinator beoordeelt het werk zo spoedig mogelijk en past daarbij de in artikel 22, tweede lid, bedoelde beoordelingsnormen toe. De examinator drukt zijn beoordeling uit in een score. De examinator zendt de score en voor zover mogelijk het beoordeelde werk aan de voorzitter van de examencommissie.
2.
De gecommitteerde beoordeelt het resultaat van de praktijkopgaven, alsmede de verrichtingen van de kandidaat zoals blijkend uit de in het eerste lid bedoelde schriftelijke vastlegging daarvan. De voorzitter van de examencommissie overhandigt de gecommitteerde daartoe een exemplaar van de opgaven, de beoordelingsnormen, het proces-verbaal, alsmede de regels voor het bepalen van de score, bedoeld in het eerste lid. Artikel 30, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
De examinator en de gecommitteerde stellen in onderling overleg het cijfer voor het examenwerk vast. Artikel 14, tweede en vijfde lid, is hierbij van overeenkomstige toepassing.
2.
De examinator vult de vastgestelde cijfers voor het centraal examen in op een cijferlijst, waarvan het model door het Hoofd van het Examenbureau wordt vastgesteld. De examinator levert de lijst na ondertekening door hem en de gecommitteerde in bij de voorzitter van de examencommissie. Deze vergewist zich ervan dat de lijst deugdelijk is ondertekend en de eindcijfers juist zijn berekend en ondertekent daarna de lijst.
1.
Indien het centraal examen naar het oordeel van de inspectie niet op regelmatige wijze heeft plaatsgehad, of twijfel is gerezen, of het centraal examen op regelmatige wijze heeft plaatsgehad, kan de inspectie besluiten dat het centraal examen geheel of gedeeltelijk bij één of meer kandidaten opnieuw wordt afgenomen.
2.
de inspectie verzoekt het Hoofd van het Examenbureau nieuwe opgaven vast te stellen en bepaalt op welke wijze en door wie het examen zal worden afgenomen.
3.
Indien door onvoorziene omstandigheden het centraal examen in één of meer vakken niet op de voorgeschreven wijze kan worden afgenomen, beslist Onze Minister hoe alsdan moet worden gehandeld.
1.
Indien een kandidaat zich ten aanzien van enig deel van het centraal examen dan wel ten aanzien van een aanspraak op vrijstelling aan enige onregelmatigheid schuldig maakt of heeft gemaakt, dan wel zonder geldige reden afwezig is, kan de voorzitter van de examencommissie maatregelen nemen.
2.
De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, die afhankelijk van de aard van de onregelmatigheid ook in combinatie met elkaar genomen kunnen worden, zijn:
a. het toekennen van het cijfer 1 voor een toets van het centraal examen,
b. het ontzeggen van de deelname of de verdere deelname aan een of meer toetsen van het centraal examen,
c. het ongeldig verklaren van een of meer toetsen van het reeds afgelegde deel van het centraal examen,
d. het bepalen dat het diploma en de cijferlijst slechts kunnen worden uitgereikt na een hernieuwd examen in door de voorzitter van de examencommissie aan te wijzen onderdelen. Indien het hernieuwd examen bedoeld in de vorige volzin betrekking heeft op een of meer onderdelen van het centraal examen legt de kandidaat dat examen af in een volgend tijdvak van het centraal examen.
3.
Alvorens een beslissing, als bedoeld in het eerste en tweede lid, te nemen wordt de kandidaat in de gelegenheid gesteld door de voorzitter van de examencommissie te worden gehoord. Bij minderjarigheid van de kandidaat geschiedt dit in aanwezigheid van diens ouders, voogden of verzorgers.
4.
De voorzitter van de examencommissie stelt de kandidaat, en bij minderjarigheid van de kandidaat ook diens ouders, voogden of verzorgers, van zijn beslissing in kennis en wijst daarbij op het bepaalde in het zesde lid.
5.
De voorzitter van de examencommissie maakt van de beslissing en van de feiten waarop deze steunt, onverwijld een rapport op. Hij zendt van dit rapport terstond een afschrift aan de inspectie.
6.
De kandidaat kan binnen drie dagen nadat de beslissing van de voorzitter van de examencommissie te zijner kennis is gebracht, schriftelijk aan de inspectie verzoeken de beslissing te herzien. de inspectie stelt vervolgens een onderzoek in en beslist op het verzoek. In de beslissing wordt zo nodig vastgelegd op welke wijze de kandidaat alsnog in de gelegenheid zal worden gesteld het centraal examen af te leggen in de vakken waarvan hij de zittingen gedeeltelijk of geheel niet heeft meegemaakt.
1.
Kennis, inzicht en vaardigheden van een kandidaat worden voor elk examenvak uitgedrukt in een eindcijfer. Artikel 14, tweede lid, is hierbij van toepassing.
2.
De voorzitter van de examencommissie bepaalt het eindcijfer op het rekenkundig gemiddelde van het cijfer voor het schoolexamen en het cijfer voor het centraal examen. Voor de in artikel 11 van de Wet voortgezet onderwijs BES genoemde praktisch basisgerichte leerweg geldt in afwijking van de eerste volzin dat voor de bepaling van het eindcijfer het cijfer voor het schoolexamen tweemaal wordt meegerekend, en het cijfer voor het centraal examen éénmaal.
3.
Bij de vakken waarin alleen een schoolexamen wordt afgenomen, is het gewogen gemiddelde van de beoordelingen voor een schoolexamen tevens eindcijfer van het desbetreffende vak.
4.
Voor de slagingsregeling van het v.s.b.o., bedoeld in artikel 36, eerste lid, wordt het gemiddelde bepaald van de eindcijfers van de vakken en deelvakken van het gemeenschappelijk deel en het keuzedeel waarin slechts schoolexamen is afgelegd.
5.
Voor de slagingsregeling van het v.w.o. en het h.a.v.o., bedoeld in artikel 36, derde lid, wordt het gemiddelde bepaald van de eindcijfers van de verplicht te volgen vakken en deelvakken van het gemeenschappelijk deel en het gekozen profieldeel, bedoeld in de artikelen 19 en 19a van het Besluit scholen v.w.o., h.a.v.o., v.s.b.o. BES met een studielast van ten hoogste 160 uren in het h.a.v.o. respectievelijk 200 uren in het v.w.o.
6.
Indien het gemiddelde niet een geheel getal is, wordt dit getal afgerond naar het dichtstbijgelegen geheel getal, waarbij een getal van 50 of meer achter de komma naar boven wordt afgerond tot een geheel getal.
1.
De kandidaat die eindexamen v.s.b.o. heeft afgelegd, is geslaagd indien hij:
a. voor al zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, het eindcijfer 6 of hoger heeft behaald,
b. voor ten hoogste één van zijn examenvakken het eindcijfer 5 heeft behaald en voor zijn overige examenvakken een 6 of hoger, of
c. voor ten hoogste één van zijn examenvakken het eindcijfer 4 heeft behaald en voor zijn overige examenvakken een 6 of hoger waarvan ten minste één 7 of hoger, of
d. voor twee van zijn examenvakken het eindcijfer 5 heeft behaald en voor zijn overige examenvakken een 6 of hoger waarvan ten minste één 7 of hoger, met dien verstande dat het eindcijfer van het sectorprogramma in de praktisch basisgerichte leerweg dan wel de praktisch kadergerichte leerweg een voldoende dient te zijn.
2.
In aanvulling op het eerste lid geldt tevens dat voor het sectorwerkstuk de kwalificatie «voldoende» of «goed» is behaald.
3.
De kandidaat die eindexamen v.w.o. of h.a.v.o. heeft afgelegd, is geslaagd indien hij met inachtneming van artikel 35, vijfde lid, tweede volzin:
a. voor al zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, het eindcijfer 6 of hoger heeft behaald;
b. voor één van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, het eindcijfer 5 en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, het eindcijfer 6 of hoger heeft behaald, of
c. voor één van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, het eindcijfer 4 en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, het eindcijfer 6 of hoger heeft behaald, en het gemiddelde van de eindcijfers ten minste 6.0 bedraagt, of
d. voor twee van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, het eindcijfer 5 heeft behaald dan wel voor één van de vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld het eindcijfer 4 en voor één van deze vakken het eindcijfer 5 heeft behaald, en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, het eindcijfer 6 of hoger heeft behaald, en het gemiddelde van de eindcijfers ten minste 6.0 bedraagt.
4.
In aanvulling op het derde lid geldt dat vakken culturele en artistieke vorming en lichamelijke opvoeding van het gemeenschappelijk deel van elk profiel, moeten zijn beoordeeld als «voldoende» of «goed».
5.
In aanvulling op het derde lid geldt tevens dat kandidaten, die het vak Spaans niet in hun profiel hebben, en ook geen vrijstelling voor dat vak hebben, een certificaat voor de beheersing van de Spaanse taal, als bedoeld in artikel 17 van het Besluit scholen v.w.o., h.a.v.o., v.s.b.o. BES, kunnen overleggen.
6.
De kandidaat die eindexamen heeft afgelegd en niet voldoet aan één van de voorwaarden, genoemd in het eerste en tweede dan wel derde en vierde lid, is afgewezen.
7.
Indien een kandidaat in het laatste leerjaar langdurig ziek is dan wel lange tijd niet in staat is onderwijs in het laatste leerjaar te volgen, kan het bevoegd gezag van een dagschool, de inspectie gehoord, toestaan dat, in afwijking van het zesde lid, deze kandidaat het eindexamen gedurende twee achtereenvolgende schooljaren aflegt.
1.
Ten aanzien van een kandidaat die in één schooljaar het eindexamen verspreid aan twee of meer scholen aflegt, is bij de bepaling van de uitslag artikel 36, eerste lid tot en met vierde lid, van toepassing.
2.
De kandidaat, bedoeld in het eerste lid, doet een schriftelijk verzoek tot toepassing van artikel 38, tweede lid, aan de directeur van de school waar hij eindexamen in het grootste aantal vakken aflegt.
3.
Onze Minister kan nadere voorschriften stellen met betrekking tot de uitvoering van het eerste en tweede lid.
1.
De voorzitter en de secretaris van de examencommissie stellen een lijst op van de cijfers van het schoolexamen en het centraal examen en de eindcijfers voor alle eindexamenvakken van elke kandidaat waarbij de op deze lijst vermelde vakken een eindexamen vormen als bedoeld in de artikelen 4 respectievelijk 5 respectievelijk 6. Hierbij wordt vermeld of de kandidaat voldaan heeft aan het bepaalde van artikel 36, eerste tot en met het vierde lid.
2.
Het aantal eindcijfers per kandidaat kan het aantal vereiste eindexamenvakken, bedoeld in de artikelen 4 respectievelijk 5 respectievelijk 6, overtreffen. In geval van de eerste volzin, en indien nodig om een kandidaat te laten slagen, betrekken de voorzitter en de secretaris van de examencommissie ook deze extra eindcijfers bij de bepaling van de uitslag.
3.
Indien de kandidaat slechts kan slagen wanneer één of meer van de in het tweede lid bedoelde eindcijfers niet bij de bepaling van de uitslag wordt betrokken, stellen de voorzitter en de secretaris van de examencommissie de kandidaat een keuze uit de eindcijfers, bedoeld in het tweede lid, voor. De keuze door de voorzitter en de secretaris van de examencommissie is definitief, indien de kandidaat binnen vier dagen geen mededeling heeft gedaan van een andere keuze. De keuze, bedoeld in de eerste volzin, betreft slechts een of meer vakken die ter keuze van de kandidaat waren, met in achtneming van het aantal vereiste eindexamenvakken, bedoeld in de artikelen 4, 5 of 6.
4.
Indien de kandidaat eindexamen heeft afgelegd en in datzelfde jaar een aanvullend examen, wordt het met het aanvullend examen behaalde cijfer, indien de kandidaat daarom tijdig en schriftelijk heeft verzocht, betrokken bij de uitslagbepaling.
5.
Met het afleggen van het eindexamen in enig jaar aan een avondschool of dagavondschool wordt gelijkgesteld het in dat jaar afleggen van examen in een of meer vakken aan die school met het oogmerk, in dat jaar het diploma te behalen door de combinatie met het overleggen door de desbetreffende kandidaat aan de examencommissie avondschool of dagavondschool van:
a. een in artikel 43, derde lid, bedoelde cijferlijst van een school die is uitgereikt in een eerder jaar;
b. een in artikel 43, derde lid, of artikel 44, eerste lid, bedoelde cijferlijst, afgegeven aan een andere avondschool of dagavondschool;
c. een of meer bewijzen van vrijstelling als bedoeld in artikel 48, vierde lid.
6.
Cijferlijsten worden uitsluitend bij de vaststelling van de uitslag betrokken, indien na het jaar waarin zij zijn vastgesteld, nog geen 10 jaren zijn verstreken. Vrijstellingsbewijzen worden uitsluitend bij de vaststelling van de uitslag betrokken indien na het jaar waarin het onderliggende diploma, getuigschrift of ander bewijsstuk is vastgesteld, nog geen 10 jaren zijn verstreken.
1.
De voorzitter van de examencommissie draagt er zorg voor dat de beoordeling van het schoolexamen en het centraal examen en de eindcijfers worden overgenomen op een verzamellijst, waarvan het model door het Hoofd van het Examenbureau is vastgesteld. Op de lijst wordt ten minste vermeld:
a. het profiel of de profielen dan wel de leerweg waarop het examen betrekking heeft;
b. de vakken waarin examen is afgelegd;
c. de cijfers van het schoolexamen, alsmede in voorkomend geval de beoordeling van het profielwerkstuk of sectorwerkstuk en de vakken waarop het profielwerkstuk betrekking heeft respectievelijk het thema van het sectorwerkstuk;
d. de cijfers van het centraal examen;
e. de eindcijfers;
f. de uitslag van het eindexamen;
g. het registratienummer van het afgegeven diploma.
2.
De voorzitter en de secretaris van de examencommissie vergewissen zich ervan dat de cijfers voor het schoolexamen en het centraal examen en de eindcijfers juist zijn overgenomen.
1.
De examencommissie stelt in een vergadering vast welke kandidaten zijn geslaagd of afgewezen voor het eindexamen, nadat de voorzitter van de examencommissie de eindcijfers heeft opgelezen.
2.
De uitslag wordt aangetekend op de verzamellijst van cijfers, bedoeld in artikel 39, eerste lid.
3.
De voorzitter en de secretaris van de examencommissie ondertekenen vervolgens de verzamellijst van cijfers.
4.
Zo spoedig mogelijk na de vergadering deelt de voorzitter van de examencommissie de uitslag tezamen met de eindcijfers aan iedere kandidaat en, bij minderjarigheid van de kandidaat, ook aan diens ouders, voogden of verzorgers mede.
1.
Elke kandidaat die eindexamen dan wel deeleindexamen heeft afgelegd, heeft het recht om in één vak herkansing te doen.
2.
Indien de kandidaat een schriftelijk verzoek om herkansing doet aan de voorzitter van de examencommissie vóór een door de voorzitter van de examencommissie te bepalen en tijdig bekendgemaakt tijdstip, is de uitslag, bedoeld in artikel 40, tweede lid, voorlopig.
3.
Indien de kandidaat in het tweede tijdvak geen mogelijkheid tot herkansing heeft gehad, en hij een schriftelijk verzoek daartoe indient bij de voorzitter van de examencommissie vóór een door de voorzitter van de examencommissie te bepalen en tijdig bekendgemaakt tijdstip, alsmede in geval van artikel 29, tweede lid, is de uitslag, bedoeld in artikel 40, eerste lid, voorlopig.
4.
Indien de kandidaat niet tijdig herkansing heeft aangevraagd, is de uitslag, bedoeld in artikel 40, eerste lid, definitief.
1.
De herkansing in een eindexamenvak geschiedt op dezelfde wijze als het examen is afgenomen in het eerste tijdvak.
2.
Het cijfer van de herkansing wordt vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 35.
3.
Het hoogste van de cijfers, behaald bij de herkansing en bij het eerder afgelegde centraal examen, geldt als definitief cijfer voor het centraal examen.
4.
Na afloop van de herkansing wordt met toepassing van artikel 36, eerste tot en met vijfde lid, de definitieve uitslag van het eindexamen door de examencommissie vastgesteld. Artikel 40 is hierbij van overeenkomstige toepassing.
5.
Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een vak waarin in een examenjaar deeleindexamen is afgelegd. De kandidaat die in een examenjaar zowel eindexamen als een aanvullend examen aflegt, oefent het recht op herkansing per examenjaar ten hoogste eenmaal uit.
1.
Na vaststelling van de uitslag van het eindexamen worden de diploma’s en de cijferlijsten opgemaakt.
2.
Bij ministeriële regeling wordt het model voor de diploma’s en de cijferlijsten vastgesteld.
3.
De voorzitter van de examencommissie van een dagschool reikt aan elke kandidaat die eindexamen heeft afgelegd, een cijferlijst uit waarop zijn vermeld, voor zover van toepassing
a. de cijfers voor het schoolexamen en de cijfers voor het centraal examen,
b. de vakken en het onderwerp of de titel van het profielwerkstuk, alsmede de beoordeling van het profielwerkstuk,
c. het thema van het sectorwerkstuk, alsmede de beoordeling van het sectorwerkstuk
d. het thema van het cultureel artistiek sectorwerkstuk, alsmede de beoordeling van het cultureel artistiek sectorwerkstuk,
e. de beoordeling van de deelvakken culturele en artistieke vorming 1 en lichamelijke opvoeding 1 in v.w.o. en h.a.v.o.,
f. de beoordeling van de vakken culturele en artistieke vorming en lichamelijke opvoeding uit het gemeenschappelijk deel van de leerweg in het v.s.b.o.,
g. volgens welke differentiatie als bedoeld in artikel 7, derde lid, is geëxamineerd,
h. de eindcijfers voor de examenvakken,
i. de uitslag van het eindexamen, alsmede
j. de vakken die niet bij de bepaling van de uitslag zijn betrokken tenzij de kandidaat daartegen bedenkingen heeft geuit.
4.
De voorzitter van de examencommissie van een dagschool reikt op grond van de definitieve uitslag aan elke voor het eindexamen geslaagde kandidaat, daaronder mede begrepen de kandidaat die zijn eindexamen met gunstig gevolg heeft voltooid ten overstaan van de examencommissie, een diploma uit, waarop het profiel of de profielen zijn vermeld die bij de uitslag zijn betrokken. Op het diploma v.s.b.o. is de leerweg vermeld die bij de uitslag is betrokken.
5.
De deelvakken culturele en artistieke vorming en het vak lichamelijke opvoeding van het gemeenschappelijke deel, waarvoor de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een avondschool of dagavondschool, ingevolge artikel 47, vierde lid, artikel 48, vierde lid, of artikel 6, derde lid is vrijgesteld, worden niet vermeld op de cijferlijst. Andere vakken waarvoor de kandidaat is vrijgesteld bij het examen, worden zonder vermelding van een cijfer vermeld op de cijferlijst, behalve in geval van vrijstellingen als bedoeld in artikel 47, die wel leiden tot vermelding van een cijfer.
6.
De diploma’s en cijferlijsten worden ondertekend door de voorzitter en de secretaris van de examencommissie.
1.
De voorzitter van de examencommissie van een avondschool of dagavondschool reikt aan de kandidaat die deeleindexamen heeft afgelegd aan een avondschool of dagavondschool, een cijferlijst uit waarop zijn vermeld, voor zover van toepassing:
a. de cijfers voor het schoolexamen en het centraal examen,
b. de vakken en het onderwerp of de titel van het profielwerkstuk, alsmede de beoordeling van het profielwerkstuk,
c. het thema alsmede de beoordeling van het sectorwerkstuk, en
d. de eindcijfers voor de examenvakken.
2.
De voorzitter van de examencommissie van een avondschool of dagavondschool reikt aan de in het eerste lid bedoelde kandidaat, alsmede aan de kandidaat aan wie op grond van de definitieve uitslag niet op grond van artikel 43, vierde lid, een diploma kan worden uitgereikt, een certificaat uit, waarop zijn vermeld, voor zover van toepassing:
a. het vak of de vakken waarvoor de kandidaat een eindcijfer 6 of meer heeft behaald,
b. de vakken, het onderwerp, het thema of de titel van het profielwerkstuk, voor zover beoordeeld met «goed» of «voldoende», en
c. het thema van het sectorwerkstuk, voorzover beoordeeld met «goed» of «voldoende».
3.
De voorzitter van de examencommissie van een avondschool of dagavondschool reikt aan de definitief voor het eindexamen v.s.b.o. afgewezen kandidaat die de school verlaat en die voor een of meer vakken van dat eindexamen een eindcijfer 6 of meer heeft behaald, een certificaat uit, waarop zijn vermeld, voorzover van toepassing:
a. het vak of de vakken waarvoor de kandidaat een eindcijfer 6 of meer heeft behaald,
b. het thema van het sectorwerkstuk, voorzover beoordeeld met «goed» of «voldoende».
4.
Onze Minister stelt het model van het certificaat en de cijferlijst vast.
1.
Duplicaten van afgegeven diploma’s, certificaten, vrijstellingsbewijzen en cijferlijsten worden niet verstrekt.
2.
Een schriftelijke verklaring dat een in het eerste lid bedoeld document is afgegeven, welke verklaring dezelfde waarde heeft als dat document zelf, kan uitsluitend door de inspectie worden verstrekt.
3.
De voorzitter van de examencommissie is bevoegd aan degene die eindexamen of deeleindexamen heeft afgelegd een verklaring over het eindexamen en een afschrift van de cijferlijst te verstrekken.
Artikel 46
De voorzitter van de examencommissie zendt binnen een week na de uitslag, bedoeld in artikel 40, eerste lid, en na afloop van de herkansing, bedoeld in artikel 42, vierde lid, een ingevuld en ondertekend exemplaar van de verzamellijst, bedoeld in artikel 39, eerste lid, aan de inspectie.
1.
Onverminderd vrijstellingen, als bedoeld in artikelen 4, 5 en 6, is de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een avondschool of dagavondschool:
a. vrijgesteld van het examen in een vak in het v.s.b.o. van het gemeenschappelijk deel, bedoeld in artikel 20 van het Landsbesluit dagscholen v.w.o., h.a.v.o., v.s.b.o., op grond van het examen v.w.o., h.a.v.o. of v.s.b.o., indien voor het overeenkomstige vak een eindcijfer 6 of hoger of een daarmee overeenkomende waardering is behaald,
b. vrijgesteld van het examen in een vak in het h.a.v.o. op grond van een examen v.w.o. of h.a.v.o., indien voor het overeenkomstige vak een eindcijfer 6 of hoger of een daarmee overeenkomende waardering is behaald;
c. vrijgesteld van het examen in een vak in het v.w.o. op grond van een examen v.w.o., indien voor het overeenkomstige vak een eindcijfer 6 of hoger of een daarmee overeenkomende waardering is behaald;
d. vrijgesteld van het examen in een vak van het v.w.o. of h.a.v.o. op grond van het overeenkomstige examen, afgelegd in Nederland of in Aruba, indien voor het overeenkomstige vak een eindcijfer 6 of hoger of een daarmee overeenkomende waardering is behaald;
e. vrijgesteld van het profielwerkstuk of sectorwerkstuk, indien reeds eerder een profielwerkstuk respectievelijk sectorwerkstuk is gemaakt dat betrekking heeft op twee vakken uit het desbetreffende profieldeel respectievelijk op een thema uit de desbetreffende sector, en dat is beoordeeld als «voldoende» of «goed».
2.
Het eerste lid is uitsluitend van toepassing indien na het jaar waarin het cijfer of de beoordeling is vastgesteld, nog geen 10 jaren zijn verstreken.
3.
In aanvulling op het eerste lid, onderdelen a en b, is de kandidaat die het eindexamen v.w.o. aflegt, vrijgesteld van het vak literatuur, indien de kandidaat hiervoor bij een eerder afgelegd examen een eindcijfer 6 of hoger heeft behaald.
4.
In aanvulling op het eerste lid, onderdelen a tot en met e, en het derde lid, kan de daar bedoelde kandidaat eveneens vrijgesteld worden voor één of twee vakken, waarvoor het eindcijfer 5 of 4 is behaald, mits redelijkerwijs verondersteld mag worden dat de kandidaat zal kunnen voldoen aan de voorwaarden van artikel 36 om te slagen voor het eindexamen.
5.
Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften gegeven voor de toepassing van het eerste lid.
1.
Onverminderd artikel 47 kan de inspectie op verzoek van de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een avondschool of dagavondschool vrijstelling verlenen voor een examenvak, indien de kandidaat op grond van eerder gevolgd onderwijs aantoonbaar in het bezit is van voldoende kennis en vaardigheden ter zake van het desbetreffende vak. De vrijstelling kan slechts worden verleend op basis van een diploma, getuigschrift of ander bewijsstuk, al of niet behaald in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, dat door de inspectie wordt aanvaard als bewijs van voldoende kennis en vaardigheden. Indien de inspectie dit nodig oordeelt, onderzoekt zij of de kandidaat in het bezit is van voldoende kennis en vaardigheden.
2.
Het eerste lid is uitsluitend van toepassing indien na het jaar waarin het in dat lid bedoelde diploma, getuigschrift of ander bewijsstuk is vastgesteld, nog geen 10 jaren zijn verstreken
3.
Tot de in het eerste lid bedoelde diploma’s, getuigschriften en andere bewijsstukken behoren in elk geval die betreffende het Internationaal Baccalaureaat, het Europees Baccalaureaat, het Baccalaureaat betreffende het overeenkomstige onderwijs in een lidstaat van de Europese Unie, dan wel met voornoemde bewijzen vergelijkbare bewijzen, afgegeven door de Caribbean Examinations Council.
4.
Indien de inspectie de gevraagde vrijstelling verleent, verstrekt zij de verzoeker een bewijs van vrijstelling.
5.
Het bewijs van vrijstelling vermeldt de gronden van de vrijstelling, het tijdstip van het verrichten van de onderwijs- of examenprestatie waarop de vrijstelling berust, en gaat in voorkomend geval vergezeld van een verklaring betreffende het in het eerste lid bedoelde onderzoek naar de kennis en vaardigheden van de examenkandidaat, of naar de in het eerste lid bedoelde bewijsstukken.
6.
Onze Minister stelt het model van het bewijs van vrijstelling vast.
Artikel 49
Een verzoek om vrijstelling als bedoeld in artikel 48 wordt schriftelijk ingediend bij de inspectie onder overlegging van een uittreksel uit het geboorte- of persoonsregister en een gewaarmerkte fotokopie van het diploma, getuigschrift of ander bewijsstuk waarop het verzoek om vrijstelling berust.
1.
Een bewijs van kennis wordt op verzoek van de kandidaat door de voorzitter van de examencommissie uitgereikt binnen drie weken nadat de uitslag, bedoeld in artikel 40, eerste lid, aan de kandidaat is medegedeeld.
2.
Op het bewijs van kennis worden in ieder geval vermeld:
a. het vak of de vakken waarin de kandidaat het volgende schooljaar geen examen behoeft af te leggen;
b. de cijfers die voor de in onderdeel a. bedoelde vak of vakken zijn behaald;
c. de datum van afgifte van het bewijs van kennis.
3.
Het bewijs van kennis is slechts één jaar geldig.
Artikel 51
De voorzitter van de examencommissie zendt aan de inspectie:
a. binnen een week na de uitreiking daarvan een afschrift van een uitgereikt bewijs van kennis als bedoeld in artikel 50;
b. een lijst van kandidaten aan wie een bewijs van kennis is uitgereikt.
1.
Het schriftelijk werk van het centraal examen en het schoolexamen der kandidaten, de beoordelingsnormen en de verzamellijst, bedoeld in artikel 39, eerste lid, worden gedurende ten minste zes maanden na de vaststelling van de uitslag bewaard door de voorzitter van de examencommissie ter inzage voor belanghebbenden.
2.
Een door de voorzitter en de secretaris van de examencommissie ondertekend exemplaar van de verzamellijst, bedoeld in artikel 39, eerste lid, wordt gedurende ten minste zes maanden na de vaststelling van de uitslag in het archief van de school bewaard.
3.
De voorzitter van de examencommissie draagt er zorg voor dat een volledig stel van de bij de centrale examens en schoolexamens gebruikte opgaven gedurende ten minste zes maanden na de vaststelling van de uitslag bewaard blijft in het archief van de school.
4.
Een kandidaat die voor een vak ten overstaan van de landsexamencommissie centraal examen als bedoeld in artikel 19, vierde lid, aflegt, kan omtrent zijn werk gedurende genoemde periode van zes maanden inlichtingen inwinnen bij de voorzitter van de landsexamencommissie.
Artikel 53
Elke voorzitter van een examencommissie brengt jaarlijks zo spoedig mogelijk na afloop van het eindexamen, doch vóór 1 oktober van het navolgende schooljaar, verslag uit aan de inspectie over de in het voorgaande schooljaar bij de uitvoering van zijn taak verrichte werkzaamheden, uitgeoefende bevoegdheden en gedane bevindingen.
Artikel 54
Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van dit besluit en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van dit besluit de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.
Artikel 55
[vervallen]
Artikel 56
[vervallen]
Artikel 57
[vervallen]
Artikel 58
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit eindexamens v.w.o., h.a.v.o., v.s.b.o. BES.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Het eindexamen
+ Hoofdstuk 3. Bijzondere bepalingen
+ Hoofdstuk 4. Slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht