Besluit van 13 december 2010, houdende regels over de aanstelling, bevordering, schorsing en ontslag als buitengewoon agent van politie alsmede over de verlening van opsporingsbevoegdheid en over de eisen van bekwaamheid, geschiktheid en betrouwbaarheid waaraan zij moeten voldoen op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Besluit buitengewone agenten van politie BES)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op voordracht van Onze Minister van Justitie, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 24 augustus 2010, directie Wetgeving nr. 5665435/10/6;
Gelet op artikel 10, vierde lid, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en artikel 184, eerste lid, onder c, en zesde lid van het Wetboek van Strafvordering BES;
De Raad van State gehoord (advies van 11 oktober 2010, nr. W03.10.0418/II);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 3 december 2010, nr. 5676538/10/6;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
In dit besluit wordt verstaan onder:
b. toets aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden: de door Onze Minister of, voor wat betreft de buitengewoon agent van politie werkzaam bij de Koninklijke marechaussee de door Onze Minister van Defensie samengestelde toets ter beoordeling van aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden;
c. toets geweldsbeheersing: de door Onze Minister of, voor wat betreft de buitengewoon agent van politie werkzaam bij de Koninklijke marechaussee de door Onze Minister van Defensie samengestelde toets ter beoordeling van de kennis op het gebied van geweldbeheersing;
d. toets schietvaardigheid: de door Onze Minister of, voor wat betreft de buitengewoon agent van politie werkzaam bij de Koninklijke marechaussee de door Onze Minister van Defensie samengestelde toets ter beoordeling van de schietvaardigheid;
e. toetser: de ambtenaar die heeft voldaan aan de daartoe strekkende opleiding en is gecertificeerd om de toets geweldbeheersing, de toets aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden of de toets schietvaardigheid af te nemen;
f. akte van opsporingsbevoegdheid: de akte van opsporingsbevoegdheid, bedoeld in artikel 184, eerste lid, onder c, van het Wetboek van Strafvordering BES;
h. titel van opsporingsbevoegdheid: de titel van opsporingsbevoegdheid , bedoeld in artikel 5;
i. Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie;
j. de toezichthouder: degene die op grond van artikel 46, tweede lid, als toezichthouder van de buitengewone agenten van politie is aangewezen;
k. de direct toezichthouder: degene die op grond van artikel 46, derde lid, als direct toezichthouder van de buitengewone agenten van politie is aangewezen;
l. werkgever: de werkgever van de buitengewoon agent van politie;
m. grondgebied: de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gezamenlijk dan wel één of meer van deze openbare lichamen afzonderlijk.
2.
Onder grondgebied wordt mede verstaan de territoriale zee van het Koninkrijk in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de aansluitende zone en het overige zeegebied in de Carïbische zee, voor zover het volkenrecht en het interregionale recht dit toelaat.
1.
Geen aanstelling als buitengewoon agent van politie vindt plaats indien de kandidaat-buitengewoon agent niet in aanmerking komt voor een titel van opsporingsbevoegdheid.
2.
Een aanstelling als buitengewoon agent van politie geldt voor de duur waarvoor de akte van opsporingsbevoegdheid is verleend of, ingeval van een aanwijzing, voor de duur die is genoemd in de beschikking.
3.
Voor de aanstelling als buitengewoon agent van politie komt slechts in aanmerking de persoon die meerderjarig is.
Artikel 3
De buitengewoon agent van politie wordt, gehoord de procureur-generaal, de desbetreffende gezaghebber en de korpschef, bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, aangesteld voor het grondgebied.
Artikel 4
De buitengewoon agent van politie die beschikt over:
a. een titel van opsporingsbevoegdheid;
b. de bekwaamheid en betrouwbaarheid voor het uitoefenen van opsporingsbevoegdheden, en
c. een akte van beëdiging,
is bevoegd op het grondgebied, vermeld in die akte, de opsporingsbevoegdheden uit te oefenen ter zake van de feiten die in die akte zijn vermeld en daarvan ambtsedig proces-verbaal op te maken als bedoeld in artikel 186 van het Wetboek van Strafvordering BES.
Artikel 5
De titel van opsporingsbevoegdheid is de rechtsgrond die de bevoegdheid tot opsporen bepaalt van de buitengewoon agent van politie, bedoeld in artikel 184, eerste lid, onder c, van het Wetboek van Strafvordering BES.
1.
Een akte van opsporingsbevoegdheid wordt verleend of een aanwijzing wordt gedaan indien die opsporingsbevoegdheid noodzakelijk is voor de uitoefening van die functie van de desbetreffende persoon of dienst waarbij hij werkzaam is, en een beroep op de politie voor het uitoefenen van opsporingsbevoegdheden bezwaarlijk, niet mogelijk of niet wenselijk is. Bij regeling van Onze Minister kunnen de categorieën van functies of diensten met het oog waarop een akte van opsporingsbevoegdheid wordt verleend of een aanwijzing wordt gedaan, worden beperkt.
2.
Een akte van opsporingsbevoegdheid geldt voor de duur van maximaal vijf jaren met ingang van de dag waarop de akte van beëdiging is uitgereikt. De geldigheidsduur kan telkens met maximaal vijf jaren worden verlengd.
3.
De aanwijzing geldt voor de duur van maximaal vijf jaren met ingang van de datum van inwerkingtreding van de beschikking. De geldigheidsduur kan telkens met maximaal vijf jaren worden verlengd.
1.
Op elke aanvraag ingevolge dit hoofdstuk wordt zo spoedig mogelijk beslist.
2.
Een aanvraag tot verlenging of wijziging van de akte van opsporingsbevoegdheid of de aanwijzing wordt uiterlijk drie maanden voor het verlopen van de geldigheidsduur ingediend.
1.
De werkgever dient een aanvraag tot het verlenen van een akte van opsporingsbevoegdheid in bij Onze Minister.
2.
De aanvraag bevat in ieder geval:
a. een aanduiding van de feiten waarvoor de opsporingsbevoegdheid wordt aangevraagd;
b. een aanduiding van het grondgebied waarvoor opsporingsbevoegdheid moet gelden;
c. de naam, voornamen, woonplaats alsmede geboortedatum en -plaats van de persoon, ten behoeve van wie de aanvraag wordt gedaan;
d. een omschrijving van diens functie.
3.
Bij de aanvraag wordt een bewijs van bekwaamheid van de desbetreffende persoon gevoegd. Indien de aanvraag betrekking heeft op de verlenging of wijziging van de akte van opsporingsbevoegdheid wordt een bewijs van beëdiging bijgevoegd.
Artikel 9
Onze Minister verleent de akte van opsporingsbevoegdheid, waarin het grondgebied en de strafbare feiten staan vermeld waarvoor de opsporingsbevoegdheid geldt.
1.
De werkgever dient een aanvraag tot aanwijzing van categorieën of eenheden als bedoeld in artikel 184, eerste lid, onder c, van het Wetboek van Strafvordering BES in bij Onze Minister.
2.
De aanvraag bevat in ieder geval:
a. een aanduiding van de feiten waarvoor de opsporingsbevoegdheid wordt aangevraagd;
b. een aanduiding van het grondgebied waarvoor opsporingsbevoegdheid moet gelden;
c. een omschrijving van de categorie of eenheid binnen de organisatie en van de functies, waarvan opsporingsbevoegdheid deel moet uitmaken, en
d. een opgave van het hoogste aantal personen dat in die functie moet kunnen worden aangesteld.
3.
In de beschikking waarbij de aanwijzing wordt gedaan, wordt het hoogste aantal personen vermeld dat op grond van de beschikking kan worden beëdigd als buitengewoon agent van politie.
1.
Onze Minister kan de akte van opsporingsbevoegdheid alsmede de aanwijzing ambtshalve intrekken, wijzigen of vervangen.
2.
Indien Onze Minister bij beschikking de akte van opsporingsbevoegdheid of de aanwijzing verlengt, wijzigt of vervangt, past hij de akten van beëdiging van de betrokken buitengewone agenten van politie zo spoedig mogelijk aan. Tot het tijdstip waarop de aanpassing heeft plaatsgevonden, wordt de akte van beëdiging geachte te zijn gebaseerd op de nieuwe beschikking.
3.
Een akte van opsporingsbevoegdheid en de aanwijzing worden ingetrokken op aanvraag van de werkgever of indien de noodzaak, bedoeld in artikel 6, eerste lid, niet meer aanwezig is.
1.
Een persoon beschikt over de bekwaamheid voor het uitoefenen van opsporingsbevoegdheden, indien hij de daarvoor vastgestelde basiskennis en vaardigheden bezit. De bekwaamheid blijkt uit een met goed gevolg afgelegde toets of uit het met goed gevolg hebben doorlopen van een opleidingsprogramma waarmee Onze Minister heeft ingestemd.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen ten aanzien van categorieën buitengewone agenten van politie aanvullende bekwaamheidseisen voor de uitoefening van opsporingsbevoegdheden worden gesteld. Onze Minister bepaalt daarbij of het voldoen aan die eisen blijkt uit het met goed gevolg hebben afgelegd van een examen waarmee hij heeft ingestemd of uit het met goed gevolg hebben doorlopen van een opleidingsprogramma waarmee hij heeft ingestemd. Het aanvullende opleidingsprogramma kan worden doorlopen na beëdiging.
3.
Onze Minister kanontheffing verlenen van het vereiste in het eerste lid, tweede volzin, en tweede lid, tweede volzin, indien de bekwaamheid op andere wijze blijkt. Bij het verlenen van de ontheffing kunnen aanwijzingen en voorschriften worden gegeven met het oog op het waarborgen van een voldoende niveau van bekwaamheid.
4.
Ten aanzien van een ambtenaar van politie als bedoeld in het in het Europese deel van Nederland geldende artikel 3, eerste lid, onder a, van de Politiewet 1993 en een buitengewoon opsporingsambtenaar als bedoeld in het in het Europese deel van Nederland geldende artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering, wordt de bekwaamheid, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, aanwezig geacht, tenzij naar het oordeel van Onze Minister aanvullende bekwaamheidseisen noodzakelijk zijn.
1.
Een persoon beschikt over de betrouwbaarheid voor de uitoefening van opsporingsbevoegdheden, indien hij van onbesproken gedrag is.
2.
Onze Minister beslist of een persoon betrouwbaar is voor de uitoefening van opsporingsbevoegdheden.
Artikel 14
Onverminderd artikel 10, derde lid, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba kan Onze Minister bepalen dat de buitengewoon agent van politie beschikt over daartoe aangewezen politiebevoegdheden en geweldmiddelen, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitoefening van de opsporingsbevoegdheden.
1.
Een persoon beschikt over de bekwaamheid voor het uitoefenen van politiebevoegdheden, indien hij de daarvoor vastgestelde basiskennis en vaardigheden bezit. De bekwaamheid blijkt uit een met goed gevolg afgelegde toets of uit het met goed gevolg hebben doorlopen van een opleidingsprogramma waarmee Onze minister heeft ingestemd.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen ten aanzien van categorieën buitengewone agenten van politie aanvullende bekwaamheidseisen voor de uitoefening van politiebevoegdheden worden gesteld. Onze Minister bepaalt daarbij of het voldoen aan die eisen blijkt uit het met goed gevolg hebben afgelegd van een examen waarmee hij heeft ingestemd of uit het met goed gevolg hebben doorlopen van een opleidingsprogramma waarmee hij heeft ingestemd. Het aanvullende opleidingsprogramma kan worden doorlopen na beëdiging.
3.
Onze Minister kan ontheffing verlenen van het vereiste in het eerste lid, tweede volzin, en tweede lid, tweede volzin, indien de bekwaamheid op andere wijze blijkt. Bij het verlenen van de ontheffing kunnen aanwijzingen en voorschriften worden gegeven met het oog op het waarborgen van een voldoende niveau van bekwaamheid.
4.
Ten aanzien van een ambtenaar van politie als bedoeld in het in het Europese deel van Nederland geldende artikel 3, eerste lid, onder a, van de Politiewet 1993 en een buitengewoon opsporingsambtenaar als bedoeld in het in het Europese deel van Nederland geldende artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering, voor zover hem krachtens artikel 8, zevende lid, van de in het Europese deel van Nederland geldende Politiewet 1993 politiebevoegdheden zijn toegekend, wordt de bekwaamheid, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, aanwezig geacht, tenzij naar het oordeel van Onze Minister aanvullende bekwaamheidseisen noodzakelijk zijn.
1.
De buitengewoon agent van politie geniet als zodanig geen bezoldiging.
2.
De buitengewoon agent van politie kan wegens buitengewone toewijding of bijzonder loffelijke dienstverrichting door Onze Minister worden beloond met een tevredenheidsbetuiging, of met een gratificatie. Artikel 98, vierde lid, van het Besluit rechtspositie korps politie BES is van overeenkomstige toepassing.
1.
Onze Minister beëdigt de persoon, bedoeld in artikel 4, tot buitengewoon agent van politie.
2.
De werkgever dient een aanvraag tot beëdiging van een buitengewoon agent van politie in bij Onze Minister en overlegt daarbij een bewijs van de titel van opsporingsbevoegdheid en een bewijs van bekwaamheid van de te beëdigen persoon.
3.
De aanvraag, bedoeld in artikel 8, eerste lid, wordt tevens geacht te zijn een aanvraag tot beëdiging.
4.
De beëdiging vindt plaats voor de opsporing van de feiten waartoe een persoon ingevolge de titel van opsporingsbevoegdheid bevoegd is, op het grondgebied waarvoor de opsporingsbevoegdheid geldt.
5.
Indien gebleken is dat de in het eerste lid bedoelde persoon voldoet aan de voorwaarden voor beëdiging wordt hij binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag beëdigd.
1.
Onze Minister maakt ten behoeve van de beëdiging een akte van beëdiging op. Daarbij wordt gebruik gemaakt van een door Onze Minister vastgesteld model.
2.
In de akte van beëdiging zijn in elk geval opgenomen de feiten tot de opsporing waarvan de desbetreffende persoon beëdigd is en het grondgebied waarvoor de opsporingsbevoegdheid geldt.
3.
Indien de buitengewoon agent van politie bevoegd is politiebevoegdheden uit te oefenen dan wel geweldmiddelen te gebruiken, wordt daarvan aantekening gemaakt op de akte van beëdiging.
1.
Onze Minister neemt van de te beëdigen persoon de eed, verklaring of belofte van zuivering en een ambtseed of ambtsbelofte, vastgelegd in de bijlage af. Het proces-verbaal van de aflegging van de eden, verklaring en beloften wordt aan de akte van beëdiging toegevoegd en maakt vanaf dat moment daarvan deel uit.
2.
Bij de beëdiging ontvangt de buitengewoon agent van politie, de akte van beëdiging, het legitimatiebewijs, de tekst van hoofdstuk 4 en, voor zover op hem van toepassing, een afschrift van de Ambtsinstructie politie BES .
3.
Onze Minister zendt een afschrift van de akte van beëdiging aan de toezichthouder en de direct toezichthouder.
1.
Onze Minister kan van de bevoegdheid tot het afleggen van de eden, verklaringen en beloften, bedoeld in artikel 19, eerste lid, mandaat verlenen aan de direct toezichthouder dan wel, indien de desbetreffende persoon behoort tot een dienst ressorterend onder een van Onze Ministers wie het mede aangaat, aan het hoofd van die dienst. Onze Minister zendt in dat geval de door hem opgemaakte akte van beëdiging van te voren toe aan de direct toezichthouder of het hoofd van dienst.
2.
De direct toezichthouder dan wel het hoofd van dienst in wiens handen de aflegging van de eden, verklaringen en beloften heeft plaatsgevonden, maakt van de aflegging proces-verbaal op en voegt dat toe aan de akte van beëdiging. Bij de beëdiging ontvangt de buitengewoon agent van politie de in artikel 19, tweede lid, bedoelde stukken en wordt daarvan mededeling gedaan aan Onze Minister.
1.
Bij wijziging van de titel van opsporingsbevoegdheid, de opsomming van de feiten tot welke opsporing de buitengewoon agent van politie ingevolge zijn titel bevoegd is en het grondgebied waarvoor de opsporingsbevoegdheid geldt, behoeven de eden, verklaringen en beloften niet opnieuw te worden afgelegd indien de akte van beëdiging overeenkomstig artikel 22 is aangepast.
2.
In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, worden de afgelegde eden, verklaringen of beloften geacht te zijn afgelegd voor de opsporing van de feiten op het grondgebied genoemd in de gewijzigde akte van beëdiging.
1.
Een aanvraag tot wijziging van de akte van beëdiging wordt ingediend bij Onze Minister. Bij deze aanvraag wordt de akte overgelegd.
2.
Onze Minister past de akte van beëdiging aan indien de aanvraag betrekking heeft op een wijziging van:
a. de titel van opsporingsbevoegdheid dan wel de opsomming van de feiten tot welke opsporing de buitengewoon agent van politie ingevolge die titel bevoegd is, overeenkomstig de bij of krachtens de wet gewijzigde titel dan wel opsomming;
b. het grondgebied waarvoor de opsporingsbevoegdheid geldt, indien hem van de noodzaak daartoe is gebleken.
1.
De eed vervalt zodra de opsporingsbevoegdheid is vervallen.
2.
Na het vervallen van de eed zendt de buitengewoon agent van politie zijn akte van beëdiging en zijn legitimatiebewijs aan Onze Minister.
1.
De buitengewoon agent van politie beperkt de opsporingshandelingen waartoe hij bevoegd is, tot hetgeen nodig is voor de vervulling van de functie in verband waarmee hij als buitengewoon agent van politie is beëdigd. Hij onthoudt zich van elk optreden waartoe hij niet bevoegd is.
2.
De buitengewoon agent van politie gedraagt zich bij de uitoefening van zijn opsporingsbevoegdheden overeenkomstig de bij of krachtens de wet gegeven regels.
3.
Indien hij bevoegd is politiebevoegdheden uit te oefenen, gedraagt hij zich overeenkomstig artikel 13, eerste, tweede, derde en vierde lid, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de op hem van toepassing zijnde ambtsinstructie.
1.
De buitengewoon agent van politie en zijn werkgever doen aan Onze Minister, op een door hem te bepalen wijze, opgave van alle werkzaamheden die hij verricht of voornemens is te verrichten, die de functievervulling als buitengewoon agent van politie kunnen raken.
2.
Het is de buitengewoon agent van politie verboden werkzaamheden te verrichten waardoor de goede vervulling van zijn functie als buitengewoon agent van politie niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.
3.
Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent het verbod, bedoeld in het tweede lid.
1.
Bij de uitoefening van zijn taak draagt de buitengewoon agent van politie een legitimatiebewijs bij zich, waarvan het model door Onze Minister is vastgesteld.
2.
Onze Minister kan personen of categorieën aanwijzen die bevoegd zijn een legitimatiebewijs te dragen dat afwijkt van het model, bedoeld in het eerste lid.
3.
Onverminderd artikel 162 van het Wetboek van Strafvordering BES toon de buitengewoon agent van politie zijn legitimatiebewijs desgevraagd aanstonds.
1.
Indien de buitengewoon agent van politie een uniform of bedrijfskleding draagt, wordt dat uniform of die bedrijfskleding op een duidelijk zichtbare plaats voorzien van een insigne, waarvan het model door Onze Minister wordt vastgesteld.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op het uniform van een buitengewoon agent van politie werkzaam bij het politiekorps van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, de Koninklijke marechaussee of de Kustwacht voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten alsmede de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 28
In het proces-verbaal van opsporingshandelingen of in enige andere schriftelijke verslaglegging van de uitoefening van bevoegdheden vermeldt de buitengewoon agent van politie het nummer van zijn akte van beëdiging.
1.
De buitengewoon agent van politie volgt bij de opsporing de door of namens het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 183 van het Wetboek van Strafvordering BES, gegeven aanwijzingen op, tenzij bij wet anders is bepaald.
2.
De buitengewoon agent van politie volgt bij de uitoefening van de politiebevoegdheden de aanwijzingen op van de direct toezichthouder.
3.
De buitengewoon agent van politie en zijn werkgever verstrekken het bevoegd gezag en de direct toezichthouder de gewenste inlichtingen.
1.
De buitengewoon agent van politie en zijn werkgever zorgen ervoor dat eerstgenoemde blijft beschikken over de bekwaamheid en de betrouwbaarheid voor de uitoefening van opsporingsbevoegdheden. Hij werkt mee aan de regelmatige toetsing van de bekwaamheid en volgt in door Onze Minister te bepalen gevallen een bijscholingsprogramma waarmee deze heeft ingestemd.
2.
De buitengewoon agent van politie woont de door Onze Minister en zijn werkgever aangewezen bijeenkomsten bij, waarin onderricht wordt gegeven in zaken welke verband houden met de uitoefening van opsporingsbevoegdheden.
1.
Indien de uitoefening van politiebevoegdheden mede het gebruik omvat van een geweldmiddel, dient de buitengewoon agent van politie hiervoor bekwaam te zijn.
2.
Een buitengewoon agent van politie is steeds voor de duur van een kalenderjaar geoefend in het gebruik van de politiebevoegdheden of een geweldmiddel, indien hij in het daaraan voorafgaande kalenderjaar met voldoende resultaat heeft afgelegd:
a. de toets geweldsbeheersing;
b. de toets aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden.
3.
Een buitengewoon agent van politie is steeds voor de duur van een kalenderhalfjaar geoefend in het gebruik van een vuurwapen, indien hij, naast de in het eerste lid bedoelde toetsen, in het daaraan voorafgaande kalenderhalfjaar de toets schietvaardigheid met voldoende resultaat heeft afgelegd.
4.
De werkgever draagt er, in overeenstemming met de direct toezichthouder, zorg voor dat de buitengewoon agent van politie slechts gebruik maakt van politiebevoegdheden, indien hij is geoefend in de toepassing van deze bevoegdheden. Indien de buitengewoon agent van politie niet met voldoende resultaat op de laatste dag van een kalenderjaar de in het tweede lid bedoelde toetsen nog niet of niet met voldoende resultaat heeft afgelegd, is de buitengewoon agent van politie niet bevoegd gebruik te maken van deze bevoegdheden.
5.
De direct toezichthouder draagt er, in overeenstemming met de werkgever, zorg voor dat de buitengewoon agent van politie slechts over een geweldmiddel beschikt, anders dan voor het vervoer en het gebruik ervan voor het volgen van onderwijs, indien hij geoefend is in het gebruik van dat geweldmiddel. Indien een buitengewoon agent van politie op de laatste dag van een kalenderjaar of kalenderhalfjaar de in het tweede en derde lid bedoelde toetsen nog niet of niet met voldoende resultaat heeft afgelegd, wordt het geweldmiddel in het gebruik waarvan hij dientengevolge niet langer is geoefend, door de direct toezichthouder ingenomen. De inname van het geweldmiddel kan geschieden middels tussenkomst van de werkgever.
6.
De ambtenaar van wie een geweldmiddel op grond van het vijfde lid is ingenomen, kan voor de resterende duur van het lopende kalenderjaar of kalenderhalfjaar wederom over het geweldmiddel beschikken vanaf het moment dat hij de toetsen die hij niet of niet met voldoende resultaat had afgelegd, alsnog met voldoende resultaat aflegt.
7.
Het eerste tot en met zesde lid van dit artikel en de artikelen 32 en 33 zijn niet van toepassing op de buitengewoon agent van politie die werkzaam is bij de Kustwacht voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten alsmede de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
1.
De werkgever draagt zorg voor een op de bekwaamheidseisen afgestemde training van de buitengewoon agent van politie.
2.
De buitengewoon agent van politie is verantwoordelijk voor zijn deelname aan de training ter voorbereiding op de af te leggen toetsen en de toetsing.
1.
De toets geweldsbeheersing, de toets aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden en de toets schietvaardigheid worden afgenomen door een door Onze Minister of, voor zover de buitengewoon agent van politie werkzaam is bij de Koninklijke marechaussee Onze Minister van Defensie daartoe aangewezen toetser.
2.
Indien een buitengewoon agent van politie op de laatste dag van de in artikel 31 bedoelde perioden, één van de in dat artikel bedoelde toetsen niet of niet met voldoende resultaat heeft afgelegd, doet de toetser hiervan onverwijld mededeling aan de werkgever en de direct toezichthouder.
3.
De werkgever draagt zorg voor de registratie van de deelname aan en de resultaten van de in artikel 31 bedoelde toetsen. De werkgever verstrekt de direct toezichthouder, de toezichthouder en Onze Minister desgevraagd de gewenste inlichtingen over de registratie, bedoeld in de eerste volzin.
1.
De buitengewoon agent van politie die zijn ambtelijke verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan disciplinair worden gestraft.
2.
Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar van politie in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.
3.
Een strafrechterlijke vervolging wegens een feit dat mede plichtsverzuim inhoudt, sluit een disciplinaire strafoplegging wegens dat feit niet uit.
1.
Onze Minister kan de buitengewoon agent van politie de volgende disciplinaire straffen of maatregel opleggen:
a. schriftelijke berisping;
b. schorsing voor bepaalde tijd;
c. ontslag.
2.
Bij het opleggen van een straf of maatregel, genoemd in het eerste lid, kan worden bepaald dat deze niet ten uitvoer wordt gelegd, indien de buitengewoon agent van politie zich gedurende een bij het opleggen van de straf of maatregel te bepalen termijn van maximaal twee jaren, niet schuldig maakt aan plichtsverzuim en zich houdt aan bij de strafoplegging eventueel te stellen bijzondere voorwaarden. De bijzondere voorwaarden mogen de godsdienstige of staatkundige vrijheid niet beperken.
3.
Indien de buitengewoon agent van politie zich binnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, wederom schuldig maakt aan plichtsverzuim dan wel zich niet houdt aan een gestelde bijzondere voorwaarde, bedoeld in het vijfde lid, kan Onze Minister gelasten dat de opgeschorte straf of maatregel alsnog ten uitvoer wordt gelegd.
4.
De straf of maatregel, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten uitvoer gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij de strafoplegging is bepaald dat deze onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd.
5.
De artikelen 103, 104 en 105 van het Besluit rechtspositie korps politie BES zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 36
De buitengewoon agent van politie is van rechtswege in zijn ambt geschorst wanneer hem rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, tenzij de vrijheidsbeneming het gevolg is van een maatregel, anders dan op grond van de Wet tot regeling van het toezicht op krankzinnigen BES , genomen in het belang van de volksgezondheid.
1.
Onverminderd artikel 35, eerste lid, onder b, kan Onze Minister de buitengewoon agent van politie in zijn ambt schorsen:
a. indien een strafrechtelijke vervolging ter zake van een misdrijf tegen hem is ingesteld;
b. wanneer hem het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is meegedeeld dan wel wanneer hem die straf is opgelegd, of
c. wanneer het dienstbelang dit bepaaldelijk vereist.
2.
In afwachting van de schorsing kan de buitengewoon agent van politie buiten functie worden gesteld door Onze Minister.
3.
De duur van de schorsing bedraagt maximaal zes maanden. In zeer bijzondere gevallen kan deze termijn eenmaal met drie maanden worden verlengd.
1.
Ontslag wordt gegeven bij beschikking, die de datum van ingang van het ontslag bevat.
2.
Bij ongevraagd ontslag wordt de reden van ontslag meegedeeld.
Artikel 39
Aan de buitengewoon agent van politie wordt, tenzij het tegendeel blijkt, geacht eervol ontslag te zijn verleend, zodra de op de akte van aanstelling vermelde tijd is verstreken.
1.
De buitengewoon agent van politie wordt op zijn aanvraag ontslag verleend.
2.
Het ontslag wordt niet verleend met ingang van een dag die vroeger dan een maand of later dan drie maanden ligt na de dag waarop de aanvraag om ontslag is ontvangen door Onze Minister.
3.
Van het eerste lid kan worden afgeweken indien een strafrechtelijke vervolging ter zake van een misdrijf tegen de buitengewoon agent van politie is ingesteld of indien wordt overwogen hem de straf van ontslag op te leggen.
4.
Van het tweede lid kan worden afgeweken op aanvraag van de buitengewoon agent van politie.
5.
Het ontslag op aanvraag wordt eervol verleend.
1.
Buiten de gevallen bij dit besluit bepaald kan de buitengewoon agent van politie worden ontslagen op grond van:
a. het verlies van een vereiste voor de aanstelling;
b. een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak waarbij de buitengewoon agent van politie onder curatele is gesteld;
c. het ondergaan van lijfsdwang wegens schulden krachtens een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;
d. een onherroepelijk geworden veroordeling tot een vrijheidsstraf wegens misdrijf;
e. onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels of lichaamsgebreken;
f. het bij of in verband met de aanstelling verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder welke handelwijze niet tot aanstelling of goedkeuring zou zijn overgegaan, tenzij de buitengewoon agent van politie aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.
2.
Een ontslag op grond van het eerste lid, onder a en e, wordt eervol verleend.
3.
Een ontslag, bedoeld in het eerste lid, kan niet eerder ingaan dan de dag volgende op die waarop de reden van het ontslag voor het eerst aanwezig was.
1.
Onze Minister is belast met het toezicht op de buitengewoon agent van politie voor wat betreft diens titel van opsporingsbevoegdheid en diens bekwaamheid en betrouwbaarheid voor de uitoefening van opsporingsbevoegdheden en, indien van toepassing van politiebevoegdheden.
2.
Ten minste iedere vijf jaar stelt Onze Minister vast of de titel van opsporingsbevoegdheid en de bekwaamheid en de betrouwbaarheid voor de uitoefening van opsporingsbevoegdheden of, indien van toepassing, van politiebevoegdheden nog aanwezig zijn, alsmede of het dienstverband of de functie van de buitengewoon agent ongewijzigd is gebleven en het opsporen van strafbare feiten nog steeds onderdeel uitmaakt van diens functie.
1.
Ter vaststelling van de bekwaamheid voor de uitoefening van opsporingsbevoegdheden legt de werkgever binnen vier weken op een daartoe strekkend verzoek van Onze Minister de bewijzen van de bekwaamheid over. Onze Minister kan uitstel verlenen van de genoemde termijn
2.
Indien binnen de gestelde termijn geen bewijzen van de bekwaamheid zijn overgelegd, wordt die bekwaamheid geacht niet meer aanwezig te zijn.
1.
Indien is vastgesteld dat een titel van opsporingsbevoegdheid, de betrouwbaarheid en de bekwaamheid nog steeds aanwezig zijn, wordt hiervan aantekening gemaakt in de akte van beëdiging. Tevens wordt een nieuwe datum voor de periodieke toetsing op de akte van beëdiging vermeld.
2.
De beschikking waarbij wordt vastgesteld dat een geldige titel ontbreekt, wordt bekendgemaakt aan de buitengewoon agent van politie, diens toezichthouder en de direct toezichthouder.
1.
De opsporingsbevoegdheid vervalt met ingang van de dag na de datum waarop
a. de titel van opsporingsbevoegdheid vervalt of wijzigt, tenzij de akte van beëdiging is gewijzigd zoals bedoeld in artikel 22, tweede lid
b. is vastgesteld dat de bekwaamheid of betrouwbaarheid voor de uitvoering van opsporingsbevoegdheden niet meer aanwezig is;
c. is vastgesteld dat het dienstverband met de werkgever is beëindigd dan wel dat de opsporing van strafbare feit geen onderdeel meer uitmaakt van de functie van de desbetreffende persoon;
d. door Onze Minister de opsporingsbevoegdheid van een buitengewoon agent van politie is beëindigd;
e. de aanstelling als buitengewoon agent van politie is beëindigd.
2.
Onze Minister kan de opsporingsbevoegdheid van een buitengewoon agent van politie beëindigen:
a. op een daartoe strekkende aanvraag van de werkgever of van de desbetreffende buitengewoon agent van politie;
b. indien de buitengewoon agent van politie misbruik maakt van zijn bevoegdheden;
c. indien de buitengewoon agent van politie de aanwijzingen van het bevoegd gezag de toezichthouder en de direct toezichthouder niet nakomt;
d. indien de buitengewoon agent van politie heeft gehandeld in strijd met enige andere bepaling bij of krachtens dit besluit.
3.
Onze Minister kan de opsporingsbevoegdheid van een buitengewoon agent van politie opschorten voor de duur van
a. het onderzoek naar de in het tweede lid, onder b tot en met d genoemde, handelingen;
1.
Bij de verlening van een titel van opsporingsbevoegdheid of bij de beëdiging wijst Onze Minister een toezichthouder en direct toezichthouder aan.
2.
Als toezichthouder wordt de hoofdofficier van justitie aangewezen.
3.
Als direct toezichthouder wordt aangewezen:
a. indien de buitengewoon agent van politie werkzaam is bij de Kustwacht voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten alsmede de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba: de directeur van de Kustwacht, bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de Rijkswet Kustwacht voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten alsmede voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
b. indien de buitengewoon agent van politie werkzaam is bij de Koninklijke marechaussee: de commandant van de Koninklijke marechaussee;
Artikel 47
De toezichthouder ziet erop toe dat de buitengewoon agent van politie zijn taak bij de opsporing naar behoren vervult en de opsporingsbevoegdheden alsmede de politiebevoegdheden op juiste wijze uitoefent.
1.
De direct toezichthouder ziet toe dat de buitengewoon agent van politie het gestelde in de hoofdstukken 4 en 5 naleeft. Hij oefent tevens het dagelijks toezicht uit op de juiste uitoefening van bevoegdheden en een goede samenwerking met de politie.
2.
De direct toezichthouder ziet toe dat de werkgever zorg draagt voor het onderricht aan de buitengewoon agent van politie, tenzij daarvoor een ander persoon is aangewezen.
3.
De direct toezichthouder verstrekt de toezichthouder de gewenste inlichtingen en doet ook ongevraagd mededeling van hetgeen voor het uitoefenen van toezicht van belang kan zijn.
1.
De toezichthouder en de direct toezichthouder plegen overleg over het functioneren van de buitengewone agenten van politie. Zij kunnen daarbij de werkgever uitnodigen.
2.
Zij kunnen het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 183 van het Wetboek van Strafvordering BES, of andere betrokkenen raadplegen over de uitoefening van bevoegdheden van buitengewone agenten van politie.
3.
Zij verschaffen Onze Minister de gewenste informatie over de buitengewone agenten van politie.
1.
De werkgever verschaft de toezichthouder en de direct toezichthouder alle door hen gewenste informatie met betrekking tot de in zijn dienst werkzame buitengewoon opsporingsambtenaren.
2.
Onze Minister kan bepalen dat de werkgever aan wie een categoriale beschikking is verleend, een jaarverslag dan wel op andere door hem te bepalen wijze informatie aan hem doet toekomen.
3.
Onze Minister kan eisen stellen aan het door de werkgever of een categorie van werkgevers te gebruiken systeem voor het registreren en verstrekken van de in het eerste lid bedoelde informatie en van operationele informatie die wordt verkregen in het kader van de taakuitvoering van de buitengewoon opsporingsambtenaar.
1.
De op grond van het in de Nederlandse Antillen geldende Landsbesluit buitengewone agenten van politie 1966 benoemde buitengewone agenten van politie voor het grondgebied van het eilandgebied Bonaire, Sint Eustatius of Saba die voor 10 oktober 2010 hun standplaats hadden in Bonaire, Sint Eustatius of Saba worden geacht door Onze Minister op grond van dit besluit te zijn aangesteld als buitengewoon agent van politie binnen de grenzen van het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba tot 10 oktober 2013.
2.
De op grond van het in de Nederlandse Antillen geldende Landsbesluit buitengewone agenten van politie 1966 benoemde buitengewone agenten van politie voor de Nederlandse Antillen die voor 10 oktober 2010 werkzaam waren op het eilandgebied Bonaire, Sint Eustatius of Saba en na dit tijdstip hun standplaats hebben in Bonaire, Sint Eustatius of Saba, worden geacht door Onze Minister op grond van dit besluit te zijn aangesteld voor het grondgebied van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba tot 10 oktober 2013.
3.
De op grond van het in de Nederlandse Antillen geldende Landsbesluit buitengewone agenten van politie 1966 benoemde buitengewone agenten van politie die voor 10 oktober 2010 werkzaam waren bij de Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba worden geacht door Onze Minister op grond van dit besluit te zijn aangesteld als buitengewoon agent van politie voor de wateren en het luchtruim daarboven van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, bedoeld in artikel 3, van de Rijkswet Kustwacht voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten, alsmede de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba tot 10 oktober 2013.
4.
In afwijking van artikel 4 zijn de buitengewone agenten van politie, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, tot de in het eerste, tweede of derde lid genoemde datum bevoegd op het desbetreffende grondgebied de opsporingsbevoegdheden uit te oefenen ter zake van alle feiten en daarvan ambtsedig proces-verbaal op te maken als bedoeld in artikel 186 van het Wetboek van Strafvordering BES.
5.
De buitengewone agenten van politie, bedoeld in het eerste en tweede lid, beschikken tot 10 oktober 2013 over politiebevoegdheden
6.
Degene die op grond van het Besluit buitengewone agenten van politie 1966 BES is aangesteld als buitengewoon agent van politie wordt geacht overeenkomstig dit besluit te zijn aangesteld.
1.
Onze Minister kan tot 10 oktober 2011 personen die voor die datum deel uitmaken van een bij of krachtensalgemene maatregel van bestuur toegelaten weerkorps als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet op de weerkorpsen BES aanwijzen, die in afwijking van artikel 2, eerste lid, van dit besluit worden aangesteld als buitengewoon agent van politie voor het grondgebied van het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba tot 10 oktober 2014.
2.
De buitengewone agenten van politie, bedoeld in het eerste lid, zijn bevoegd op het desbetreffende grondgebied de opsporingsbevoegdheden uit te oefenen ter zake van alle feiten en daarvan ambtsedig proces-verbaal op te maken als bedoeld in artikel 186 van het Wetboek van Strafvordering BES.
3.
Onze Minister kan bij de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, bepalen dat de buitengewoon agent van politie tevens beschikt over politiebevoegdheden en een geweldmiddel.
Artikel 53
Tot het moment waarop uitvoering is gegeven aan de onderlinge regeling van 1 juli 2010, houdende kwaliteitseisen, opleidings- en trainingsvereisten politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, bepaalt Onze Minister de eisen die gesteld worden aan de vaardigheden met betrekking tot het gebruik van geweld, waaronder schietvaardigheid, alsmede die met betrekking tot de uitoefening van aanhouding en zelfverdediging van buitengewoon agenten van politie, met uitzondering van degene die werkzaam zijn bij de Koninklijke marechaussee en bij de Kustwacht voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten alsmede de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 54
Het besluit buitengewone agenten van politie 1966 BES wordt ingetrokken.
Artikel 55
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2011.
Artikel 56
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit buitengewone agenten van politie BES
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 13 december 2010
De Minister van Veiligheid en Justitie,
Uitgegeven de tweeëntwintigste december 2010
De Minister van Veiligheid en Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Aanstelling en titel van opsporingsbevoegdheid
+ Hoofdstuk 3. Bezoldiging en beëdiging
+ Hoofdstuk 4. Instructie
+ Hoofdstuk 5. Opleidings- en trainingsvereisten
+ Hoofdstuk 6. Straffen
+ Hoofdstuk 7. Schorsing en ontslag
+ Hoofdstuk 8. Het toezicht
+ Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht