1.
De berekeningsgrondslagen worden overeenkomstig hoofdstuk 12 van het pensioenreglement aangepast aan de algemene bezoldigingswijzigingen van het overheidspersoneel. De invaliditeitspensioenen, bijzondere invaliditeitsverhogingen en de van de invaliditeitspensioenen af te leiden nabestaandenpensioenen worden aan de hand van die aangepaste berekeningsgrondslagen nader vastgesteld.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de bedragen, bedoeld in artikel 2, vierde lid, artikel 9, vierde lid, en artikel 10, vijfde lid.
3.
Indien de bedragen aan AOW-pensioen of Anw-uitkering worden gewijzigd als gevolg van een wijziging van het netto-minimumloon, zoals voorzien in artikel 9 van de AOW en de artikelen 17, 25, 29 en 31 van de Anw, worden de kortingen die van dat pensioen of die uitkering afhankelijk zijn aan de gewijzigde bedragen aangepast.
1.
De pensioenen, tijdelijke pensioenen, verhogingen en toeslagen worden toegekend op aanvraag van de belanghebbende en worden op een jaarbedrag vastgesteld.
2.
De pensioenen, tijdelijke pensioenen, verhogingen en toeslagen gaan in op de dag waarop het recht daarop ontstaat.
3.
In afwijking van het tweede lid gaat een pensioen, een verhoging of een toeslag waarvoor de aanvraag niet tijdig bij Onze Minister is binnengekomen niet eerder in dan een jaar voor de dag van binnenkomst van die aanvraag.
4.
In afwijking van het tweede lid bepaalt Onze Minister de ingangsdatum van een nabestaandenpensioen bij vermissing.
5.
Bij de toepassing van dit artikel wordt uitgegaan van bedragen die overeenkomstig artikel 12 en de daaraan voorafgaande vergelijkbare regels zijn gebracht op het niveau van het moment van toekenning.
1.
De pensioenen en pensioenverhogingen eindigen met het einde van de maand waarin de rechthebbende is overleden.
2.
In afwijking van het eerste lid eindigen het invaliditeitspensioen en de bijzondere invaliditeitsverhoging bij vermissing op een door Onze Minister te bepalen dag.
3.
Indien degene aan wiens vermissing het wordt ontleend in leven blijkt te zijn, eindigt het op grond daarvan toegekende nabestaandenpensioen met ingang van een door Onze Minister te bepalen dag. Op grond van het tweede lid vervallen pensioenen of verhogingen worden met ingang van die dag opnieuw toegekend.
4.
Het wezenpensioen eindigt voorts met het einde van de maand waarin:
a. de rechthebbende de leeftijd van 21 jaren heeft bereikt of, voorafgaand aan het bereiken van die leeftijd in het huwelijk is getreden dan wel partij is geworden bij de aanmerking van een partner dan wel als partner is geregistreerd in de zin van het pensioenreglement;
b. de rechthebbende wettig kind is geworden van een ander dan de partner die aan hetzelfde overlijden recht op partnerpensioen in de zin van dit besluit of bijzonder partnerpensioen in de zin van het pensioenreglement ontleent.
5.
Het recht op een toeslag vervalt vanaf het moment dat niet meer aan de voorwaarden voor de toekenning daarvan wordt voldaan.
Artikel 15. Betaling
De betaling van de pensioenen, tijdelijke pensioenen, verhogingen en toeslagen geschiedt in maandelijkse termijnen.
Inhoudsopgave
+ Paragraaf . Algemene bepalingen
+ Paragraaf 2. Aanspraken op eigen pensioen
+ Paragraaf 3. De aanspraken op nabestaandenpensioen
- Paragraaf 4. Gemeenschappelijke bepalingen
+ Paragraaf 5. Overgangsbepalingen
+ Paragraaf 6. Andere voorzieningen in verband met de invaliditeit met dienstverband
+ Paragraaf 7. Slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken