1.
De militair bij wie een bepaalde mate van invaliditeit met dienstverband is vastgesteld heeft uit hoofde van de dienstverhouding waarin die invaliditeit is ontstaan vanaf de dag waarop hij de leeftijd van 65 jaar bereikt recht op een invaliditeitspensioen.
2.
Het bedrag van het in het eerste lid bedoelde invaliditeitspensioen is gelijk aan zoveel procent van de bij de betreffende dienstverhouding behorende berekeningsgrondslag als de mate van invaliditeit met dienstverband op het in dat lid bedoelde moment bedraagt, verminderd met hetzelfde percentage van het AOW-pensioen van de rechthebbende.
3.
Het in het eerste en tweede lid bedoelde invaliditeitspensioen wordt uitbetaald voor zolang en voor zover het bedrag daarvan de som van het krachtens het pensioenreglement bij dezelfde dienstverhouding behorende ouderdomspensioen, de daar eventueel van af te leiden bijzondere ouderdomspensioenen en de op die pensioenen te verlenen toeslagen overschrijdt.
4.
De berekeningsgrondslag voor het invaliditeitspensioen bedraagt niet minder dan € 17 034,25.
1.
De militair met een recht op invaliditeitspensioen wiens ontslag heeft plaatsgevonden vóór 1 juli 2007 heeft recht op een bijzondere invaliditeitsverhoging van:
a. 40 procent van de in artikel 2 bedoelde berekeningsgrondslag indien de mate van invaliditeit waaraan dat recht op pensioen wordt ontleend 100 procent bedraagt,
b. 30 procent van die berekeningsgrondslag indien die mate van invaliditeit ten minste 80 maar minder dan 100 procent bedraagt,
c. 20 procent van die berekeningsgrondslag indien die mate van invaliditeit ten minste 60 maar minder dan 80 procent bedraagt,
d. 10 procent van die berekeningsgrondslag indien die mate van invaliditeit ten minste 40 maar minder dan 60 procent bedraagt,
e. 5 procent van die berekeningsgrondslag indien die mate van invaliditeit ten minste 20 maar minder dan 40 procent bedraagt;
De militair met een recht op een invaliditeitspensioen wiens ontslag heeft plaatsgevonden op of na 1 juli 2007 heeft recht op een bijzondere invaliditeitsverhoging van:
a. 40 procent van de in artikel 2 bedoelde berekeningsgrondslag indien de mate van invaliditeit met dienstverband waaraan dat recht op pensioen wordt ontleend 100 procent bedraagt,
b. 35 procent van die berekeningsgrondslag indien de mate van invaliditeit ten minste 90 maar minder dan 100 procent bedraagt,
c. 30 procent van die berekeningsgrondslag indien de mate van invaliditeit ten minste 80 maar minder dan 90 procent bedraagt,
d. 25 procent van die berekeningsgrondslag indien de mate van invaliditeit ten minste 70 maar minder dan 80 procent bedraagt,
e. 20 procent van die berekeningsgrondslag indien de mate van invaliditeit ten minste 60 maar minder dan 70 procent bedraagt,
f. 15 procent van die berekeningsgrondslag indien de mate van invaliditeit ten minste 50 maar minder dan 60 procent bedraagt,
g. 10 procent van die berekeningsgrondslag indien de mate van invaliditeit ten minste 40 maar minder dan 50 procent bedraagt,
h. 7,5 procent van die berekeningsgrondslag indien de mate van invaliditeit ten minste 30 maar minder dan 40 procent bedraagt,
i. 5 procent van die berekeningsgrondslag indien de mate van invaliditeit ten minste 20 maar minder dan 30 procent bedraagt,
j. 2,5 procent van die berekeningsgrondslag indien de mate van invaliditeit ten minste 10 maar minder dan 20 procent bedraagt.
2.
Indien de invaliditeit met dienstverband waaraan het recht op invaliditeitspensioen wordt ontleend bestaat of mede bestaat uit:
a. het verlies van een van de ledematen,
b. een belangrijke misvorming van het gelaat, welke door hulpmiddelen niet voldoende is te verbergen, zodat de rechthebbende de omgang met zijn medemensen ernstig wordt bemoeilijkt,
c. onbruikbaarheid van een van de ledematen dan wel uit een toestand, welke met een zodanige onbruikbaarheid is gelijk te stellen,
d. een zodanige vermindering van de beweeglijkheid of bruikbaarheid van twee of meer ledematen, dat de toestand van de rechthebbende is gelijk te stellen met die, bedoeld onder c, of
e. een zodanige beperking van het gezichtsvermogen, dat het vermogen om zich zelfstandig te bewegen er ernstig door wordt getroffen,
bedraagt de in het eerste lid bedoelde bijzondere invaliditeitsverhoging niet minder dan 30 procent van de daar bedoelde berekeningsgrondslag.
3.
Indien de invaliditeit met dienstverband waaraan het recht op invaliditeitspensioen wordt ontleend bestaat of mede bestaat uit:
a. het verlies van twee of meer ledematen,
b. het totale verlies van het gezichtsvermogen in beide ogen dan wel uit een toestand, welke met blindheid is gelijk te stellen, of
c. onbruikbaarheid van twee of meer ledematen dan wel uit een toestand, welke met een zodanige onbruikbaarheid is gelijk te stellen,
bedraagt de in het eerste lid bedoelde bijzondere invaliditeitsverhoging niet minder dan 40 procent van de daar bedoelde berekeningsgrondslag.
4.
Voor de toepassing van het tweede en derde lid worden handen en voeten onder ledematen begrepen.
5.
Indien de invaliditeit met dienstverband bestaat uit meerdere van de in het tweede en derde lid omschreven omstandigheden, bedraagt de in het eerste lid bedoelde bijzondere invaliditeitsverhoging 40 procent van de daar bedoelde berekeningsgrondslag.
1.
Het invaliditeitspensioen voor de ter zake van ziekten of gebreken ontslagen dienstplichtige of reservist die als zodanig een diensttijd van vijf of meer jaren kan aanwijzen die, waren zij als beroepsmilitair doorgebracht of als gewezen beroepsmilitair in verband met arbeidsongeschiktheid opgebouwd, zouden zijn vergolden met een ouderdomspensioen in de zin van het pensioenreglement, bedraagt niet minder dan dat ouderdomspensioen, vastgesteld met gebruikmaking van de berekeningsgrondslag voor dat invaliditeitspensioen en overigens naar de normen en voorwaarden van dat reglement.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder diensttijd verstaan:
a. het totaal van de werkelijke militaire dienst en
b. de diensttijd die voor de beroepsmilitair aan het genot van de in artikel 10 van het besluit AO/IV bedoelde arbeidsongeschiktheidsverhoging zou zijn verbonden.
3.
Bij de berekening van het in het eerste lid bedoelde garantiepensioen wordt van de daar bedoelde tijd het deel dat kan worden vergolden met een ander pensioen buiten beschouwing gelaten.
1.
Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de rechthebbende op invaliditeitspensioen wordt aan de partner van wie hij niet duurzaam gescheiden leefde een uitkering toegekend ten bedrage van het pensioen, zoals dat na toepassing van artikel 3 en met voorbijgaan aan artikel 2, derde lid, over een tijdvak van twee maanden op het overlijdensmoment kan worden vastgesteld. De uitkering bij overlijden op het in artikel 2, derde lid, bedoelde ouderdomspensioen en de daarop te verlenen toeslagen wordt op het gevonden bedrag in mindering gebracht.
2.
Bij ontstentenis van een partner als bedoeld in het eerste lid komt de overlijdensuitkering toe aan de wezen die ingevolge dit besluit aan het overlijden recht op wezenpensioen kunnen ontlenen.
3.
Bij ontstentenis van zowel een partner als bedoeld in het eerste lid, als van wezen, bedoeld in het tweede lid, geschiedt de overlijdensuitkering ten behoeve van de ouders, meerderjarige kinderen, broers of zusters, indien de overledene kostwinner was van de genoemde betrekkingen.
4.
Indien de overledene geen betrekkingen nalaat als bedoeld in de voorgaande leden, kan het bedrag van de overlijdensuitkering geheel of gedeeltelijk worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is.
5.
Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing in geval van vermissing van een gepensioneerde.
Inhoudsopgave
+ Paragraaf . Algemene bepalingen
- Paragraaf 2. Aanspraken op eigen pensioen
+ Paragraaf 3. De aanspraken op nabestaandenpensioen
+ Paragraaf 4. Gemeenschappelijke bepalingen
+ Paragraaf 5. Overgangsbepalingen
+ Paragraaf 6. Andere voorzieningen in verband met de invaliditeit met dienstverband
+ Paragraaf 7. Slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken