1.
De nabestaanden van de militair die is overleden tengevolge van verwonding, ziekten of gebreken als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit AO/IV, de nabestaanden van een rechthebbende op verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen ingevolge artikel 3, vijfde lid, van dat besluit of van een militair of gewezen militair die, ware hij niet overleden, recht op een zodanig pensioen zou hebben kunnen doen gelden, hebben, indien diens overlijden in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de hem opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht, te rekenen van de dag volgende op dat overlijden recht op tijdelijk partner- of wezenpensioen.
2.
De in het eerste lid bedoelde tijdelijke pensioenen worden afgeleid van een invaliditeitspensioen zoals dat, zonder toepassing van de in het tweede en derde lid van artikel 2 bedoelde kortingen en zonder de bijzondere invaliditeitsverhoging, bedoeld in artikel 3, naar een mate van invaliditeit met dienstverband van 90,02 procent ingevolge dit besluit kan worden vastgesteld.
3.
Het recht op pensioen ingevolge dit artikel vervalt:
a. indien de belanghebbende uit hoofde van dezelfde dienstverhouding ingevolge artikel 6 recht heeft op een hoger pensioen en
b. met ingang van de dag waarop de militair aan wiens overlijden het wordt ontleend de leeftijd van 65 jaar zou hebben bereikt.
Inhoudsopgave
+ Paragraaf . Algemene bepalingen
+ Paragraaf 2. Aanspraken op eigen pensioen
- Paragraaf 3. De aanspraken op nabestaandenpensioen
+ Paragraaf 4. Gemeenschappelijke bepalingen
+ Paragraaf 5. Overgangsbepalingen
+ Paragraaf 6. Andere voorzieningen in verband met de invaliditeit met dienstverband
+ Paragraaf 7. Slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken