2.
Indien de invaliditeit met dienstverband waaraan het recht op invaliditeitspensioen wordt ontleend bestaat of mede bestaat uit:
a. het verlies van een van de ledematen,
b. een belangrijke misvorming van het gelaat, welke door hulpmiddelen niet voldoende is te verbergen, zodat de rechthebbende de omgang met zijn medemensen ernstig wordt bemoeilijkt,
c. onbruikbaarheid van een van de ledematen dan wel uit een toestand, welke met een zodanige onbruikbaarheid is gelijk te stellen,
d. een zodanige vermindering van de beweeglijkheid of bruikbaarheid van twee of meer ledematen, dat de toestand van de rechthebbende is gelijk te stellen met die, bedoeld onder c, of
e. een zodanige beperking van het gezichtsvermogen, dat het vermogen om zich zelfstandig te bewegen er ernstig door wordt getroffen,
bedraagt de in het eerste lid bedoelde bijzondere invaliditeitsverhoging niet minder dan 30 procent van de daar bedoelde berekeningsgrondslag.
Inhoudsopgave
+ Paragraaf . Algemene bepalingen
- Paragraaf 2. Aanspraken op eigen pensioen
+ Paragraaf 3. De aanspraken op nabestaandenpensioen
+ Paragraaf 4. Gemeenschappelijke bepalingen
+ Paragraaf 5. Overgangsbepalingen
+ Paragraaf 6. Andere voorzieningen in verband met de invaliditeit met dienstverband
+ Paragraaf 7. Slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken