1.
De dienstplichtige of reservist bij wie een bepaalde mate van invaliditeit met dienstverband is vastgesteld die is ontstaan in het met een ontslag als zodanig beëindigde tijdvak van zijn werkelijke dienst, heeft recht op een invaliditeitspensioen.
2.
De in het eerste lid bedoelde gewezen militair heeft naar de daartoe in artikel 8 neergelegde normen en voorwaarden recht op een bijzondere invaliditeitsverhoging.
3.
De in het eerste en tweede lid bedoelde rechten worden vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 7, eerste, tweede en vierde lid en artikel 8.
4.
Het invaliditeitspensioen voor de dienstplichtige of reservist wordt uitbetaald voor zover het de som van de aan dezelfde dienstverhouding te ontlenen uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen en de in artikel 10 bedoelde verhoging daarvan overschrijdt.
5.
Het in het eerste lid bedoelde invaliditeitspensioen behoort niet tot de inkomsten die ingevolge de kortingsbepalingen van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen of een daarmee vergelijkbare andere wettelijke regeling op een arbeidsongeschiktheidsuitkering kunnen worden gekort.
6.
Nadere voorschriften voor de vaststelling van de bij toepassing van dit artikel te hanteren berekeningsgrondslag worden neergelegd in een ministeriële regeling.
7.
Het recht op een invaliditeitspensioen bestaat niet gedurende de periode dat aanspraak bestaat op de Inkomensvoorziening in verband met zorg als bedoeld in hoofdstuk 5 van het Veteranenbesluit.
Inhoudsopgave
+ Paragraaf 1. Algemene bepalingen
+ Paragraaf 2. Aanspraken voor de beroepsmilitair
- Paragraaf 3. Aanspraken voor de dienstplichtige en reservist
+ Paragraaf 4. Gemeenschappelijke bepalingen
+ Paragraaf 5. Overgangsbepalingen
+ Paragraaf 6. Andere voorzieningen in verband met arbeidsongeschiktheid of invaliditeit
+ Paragraaf 7. Slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht