Artikel 39
Een natuurlijke persoon die inwoner is van een van de landen, zal in elk van de andere landen aanspraak hebben op dezelfde tegemoetkomingen als die, welke aan natuurlijke personen die inwoners zijn van laatstbedoeld land toekomen ter zake van burgerlijke staat en kinderaftrek.
Artikel 40
De in een van de landen voor enige belasting bestaande tegemoetkomingen ten behoeve van in dat land gevestigde of voor het grondgebied van dat land werkzame instellingen welke een kerkelijk, charitatief, cultureel, wetenschappelijk of algemeen maatschappelijk belang beogen - daaronder begrepen tegemoetkomingen ter zake van giften aan zodanige instellingen - vinden overeenkomstige toepassing ten behoeve van in een van de andere landen gevestigde of voor het grondgebied van een van de andere landen werkzame instellingen welke een zodanig belang beogen.
1.
De belasting welke een van de landen mag heffen ingevolge artikel 11, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 13, tweede lid, is niet verschuldigd van dividend, onderscheidenlijk rente, genoten door een van de andere landen of een staatkundig onderdeel daarvan.
2.
De Minister van Financiën van het land van inwoning van de schuldenaar van een dividend of van rente genoten door een publiekrechtelijk lichaam van een van de andere landen, dat zich uitsluitend bezig houdt met het vervullen van een deel van de overheidstaak van dat andere land, kan bepalen, dat het eerste lid ten aanzien van dat dividend of die rente wordt toegepast.
Artikel 42
De Minister van Financiën van elk van de landen kan voorschriften geven ter uitvoering van deze Rijkswet in dat land.
1.
Ingeval in een van de landen een belasting voor eenmaal naar het inkomen of naar het vermogen mocht worden ingevoerd, kan de wetgever van dat land bepalen dat hoofdstuk II, afdeling 1, daarop niet van toepassing is.
2.
Een wettelijke regeling van een van de landen welke op grond van het eerste lid is getroffen, wordt bekend gemaakt in de andere landen op de in artikel 48, tweede lid, voorgeschreven wijze.
Artikel 44
De artikelen 36, 37 en 38 vinden overeenkomstige toepassing met betrekking tot schoolgelden en premies ingevolge sociale verzekeringswetten, waarvan de invordering geschiedt bij dwangbevel.
1.
Voor de heffing van belastingen naar het inkomen en naar het vermogen in de zin van artikel 3, voor de heffing van belastingen ter zake van successie en schenking in de zin van artikel 26, alsmede voor de toepassing van deze Rijkswet voor zover zij op die belastingen betrekking heeft, worden, voor zoveel nodig in afwijking van de overige bepalingen van deze Rijkswet omtrent de woonplaats, de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten geacht inwoner te zijn van het land waarvoor zij zijn uitgezonden.
2.
De Ministers van Financiën van de betrokken landen kunnen gezamenlijk bepalen dat het eerste lid mede wordt toegepast ten aanzien van de plaatsvervangers van de Gevolmachtigde Ministers en met hen gelijk te stellen functionarissen.
1.
Artikel 19 van de wet van 26 april 1940 ( Stb. 200), houdende bijzondere voorzieningen met betrekking tot de in gebiedsdelen van het Koninkrijk der Nederlanden gevestigde naamlooze vennootschappen en andere rechtspersonen, alsmede met betrekking tot zeeschepen, die gerechtigd zijn tot het voeren van de Nederlandsche vlag wordt ingetrokken, indien het op het tijdstip van inwerkingtreden van deze Rijkswet nog van kracht is.
2.
De wet van 4 augustus 1917 ( Stb. 507), houdende bepalingen betreffende de beteekening en tenuitvoerlegging in de koloniën, van in Nederland uitgevaardigde dwangbevelen en in Nederland alsmede in Nederlandsch-Indië, Suriname en Curaçao onderling, van in de koloniën uitgevaardigde dwangbevelen, wordt ingetrokken.
Artikel 47
Het inwerkingtreden van deze Rijkswet wordt door Ons geregeld bij algemene maatregel van Rijksbestuur.
1.
Onverminderd artikel 18, tweede lid, kan de wetgever van elk van de landen ten aanzien van één of meer van de andere landen bepalen dat gezamenlijk buiten werking treden de hoofdstukken II en III, en de artikelen 39, 40, 41, 44 en 45. De daartoe strekkende wettelijke regeling treedt niet in werking voor de aanvang van het tweede kalenderjaar volgend op dat waarin de regeling is afgekondigd. Onder het voorbehoud van belangrijke wijzigingen in de wetgeving, de heffing, alsmede in de administratieve praktijk als bedoeld in artikel 38, tweede lid, onder a, met betrekking tot de belastingen welke het onderwerp uitmaken van deze Rijkswet kan binnen een periode van acht jaar na 1 januari 1986 van de in dit lid gegeven bevoegdheid geen gebruik worden gemaakt.
2.
Een wettelijke regeling van een van de landen welke op grond van het eerste lid is getroffen, wordt bekend gemaakt in het andere land door plaatsing van de tekst in, voor zover Nederland betreft het Staatsblad en voor zover het Aruba, Curaçao en Sint Maarten betreft in de officiële publicatiebladen.
Artikel 49
Deze Rijkswet kan worden aangehaald als: Belastingregeling voor het Koninkrijk.
Inhoudsopgave
- Algemene bepaling
+ Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
+ Hoofdstuk II. Vermijding van dubbele belasting
+ Hoofdstuk III. Wederzijdse bijstand
- Hoofdstuk IV. Slotbepalingen
Parlement
Documenten bij de totstandkoming van (deze versie van) de wet.

Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht