1.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk:
a. wordt een natuurlijke persoon, die ingevolge de desbetreffende belastingregelingen inwoner is van beide landen, geacht inwoner te zijn van het land waar hij een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft; indien hij in beide landen een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht inwoner te zijn van het land waarmede zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn (middelpunt van de levensbelangen);
b. indien niet kan worden bepaald in welk land hij het middelpunt van zijn levensbelangen heeft, of indien hij in geen van de landen een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht inwoner te zijn van het land waar hij gewoonlijk verblijft;
c. indien hij in beide landen of in geen van beide gewoonlijk verblijft, regelen de bevoegde autoriteiten van de landen de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming.
2.
Indien een andere dan een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van artikel 2, eerste lid, letter d, inwoner van beide landen is, wordt hij geacht inwoner te zijn van het land waar de plaats van zijn werkelijke leiding is gevestigd. Het in de vorige zin bepaalde geldt ook voor de toepassing van de Wet op de dividendbelasting 1965 , tenzij moet worden aangenomen dat de doorslaggevende reden voor het verplaatsen van de werkelijke leiding is geweest de heffing van dividendbelasting onmogelijk te maken.
3.
Voor de toepassing van het eerste lid worden schepen en luchtvaartuigen welke binnen een van de landen hun thuishaven hebben, als deel van dat land beschouwd.
4.
Voor zoveel nodig in afwijking van het eerste lid wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk een natuurlijke persoon, jonger dan 27 jaar, die herkomstig is uit een van de landen en uitsluitend voor opvoeding of voor studie - het verkrijgen van bedrijfs- of beroepservaring daaronder begrepen - verblijft in een van de andere landen, geacht inwoner te zijn van het land van herkomst, indien hij ingevolge de desbetreffende belastingregelingen van dat land daarvan inwoner is.
1.
Indien een persoon van oordeel is dat de maatregelen van een of van beide landen voor hem leiden of zullen leiden tot een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen van deze Rijkswet kan hij, ongeacht de rechtsmiddelen waarin de wetgeving van die landen voorziet, zijn geval voorleggen aan de bevoegde autoriteit van het land waarvan hij inwoner is, of, indien het geval valt onder artikel 1, tweede lid, aan die van het land naar welks recht het lichaam is opgericht. Het geval moet worden voorgelegd binnen drie jaren nadat de maatregel die leidt tot een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen van deze Rijkswet, voor het eerst te zijner kennis is gebracht.
2.
De bevoegde autoriteit tracht, indien het bezwaar haar gegrond voorkomt en indien zij niet zelf in staat is tot een bevredigende oplossing te komen, de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming met de bevoegde autoriteit van het andere land te regelen ten einde een belastingheffing die niet in overeenstemming is met deze Rijkswet te vermijden. De overeengekomen regeling wordt uitgevoerd niettegenstaande de verjaringstermijnen in de nationale wetgeving van de landen.
3.
De bevoegde autoriteiten van de landen trachten moeilijkheden of twijfelpunten die mochten rijzen met betrekking tot de uitlegging of de toepassing van deze Rijkswet in onderlinge overeenstemming op te lossen.
Zij kunnen ook met elkaar overleg plegen teneinde dubbele belasting ongedaan te maken in gevallen waarvoor in de Rijkswet geen voorziening is getroffen.
4.
De bevoegde autoriteiten van de landen kunnen zich rechtstreeks met elkaar in verbinding stellen teneinde een overeenstemming als bedoeld in de voorgaande leden te bereiken. Indien voor het bereiken van overeenstemming een mondelinge gedachtenwisseling raadzaam lijkt, kan zulk een gedachtenwisseling plaatsvinden in een commissie die bestaat uit vertegenwoordigers van de bevoegde autoriteiten van de landen.
Inhoudsopgave
- Algemene bepaling
+ Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
- Hoofdstuk II. Vermijding van dubbele belasting
+ Hoofdstuk III. Wederzijdse bijstand
+ Hoofdstuk IV. Slotbepalingen
Parlement
Documenten bij de totstandkoming van (deze versie van) de wet.

Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht