1.
Voor de heffing van belastingen naar het inkomen en naar het vermogen in de zin van artikel 3, voor de heffing van belastingen ter zake van successie en schenking in de zin van artikel 26, alsmede voor de toepassing van deze Rijkswet voor zover zij op die belastingen betrekking heeft, worden, voor zoveel nodig in afwijking van de overige bepalingen van deze Rijkswet omtrent de woonplaats, de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten geacht inwoner te zijn van het land waarvoor zij zijn uitgezonden.
2.
De Ministers van Financiën van de betrokken landen kunnen gezamenlijk bepalen dat het eerste lid mede wordt toegepast ten aanzien van de plaatsvervangers van de Gevolmachtigde Ministers en met hen gelijk te stellen functionarissen.
Inhoudsopgave
- Algemene bepaling
+ Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
+ Hoofdstuk II. Vermijding van dubbele belasting
+ Hoofdstuk III. Wederzijdse bijstand
- Hoofdstuk IV. Slotbepalingen
Parlement
Documenten bij de totstandkoming van (deze versie van) de wet.

Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht