1.
Inkomsten genoten door een inwoner van een van de landen uit onroerende goederen gelegen of gevestigd binnen een van de andere landen, mogen in dat andere land worden belast, ook ingeval deze inkomsten deel uitmaken van de winst van een onderneming.
2.
De uitdrukking "onroerende goederen" omvat mede:
a. mijnen, steengroeven en andere natuurlijke hulpbronnen, alsmede rechten tot opsporing, onderzoek of exploitatie van natuurlijke hulpbronnen en rechten op vaste en veranderlijke uitkeringen verkregen uit verlening of afstand van rechten tot opsporing, onderzoek of exploitatie van natuurlijke hulpbronnen;
b. agrarische ondernemingen en bosbouwondernemingen.
3.
Onder inkomsten uit onroerende goederen worden verstaan voordelen uit onroerende goederen en uit vervreemding van onroerende goederen alsmede waardevermeerderingen van onroerende goederen.
4.
Bij het bepalen van de inkomsten uit onroerende goederen welke deel uitmaken van de winst van een onderneming, vindt artikel 5, tweede en vierde lid, overeenkomstige toepassing.
Inhoudsopgave
- Algemene bepaling
+ Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
- Hoofdstuk II. Vermijding van dubbele belasting
+ Hoofdstuk III. Wederzijdse bijstand
+ Hoofdstuk IV. Slotbepalingen
Parlement
Documenten bij de totstandkoming van (deze versie van) de wet.

Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht