1.
De verkrijging krachtens erfrecht door het overlijden van of krachtens schenking door een inwoner van een van de landen, mag worden belast in een van de andere landen voor zover zij bestaat uit:
a. binnen dat andere land gelegen of gevestigde - al dan niet tot een onderneming behorende - onroerende goederen in de zin van artikel 4;
b. ander vermogen dat behoort tot een binnen dat andere land aangehouden vaste inrichting; artikel 2, derde lid, blijft buiten toepassing.
2.
De in een verkrijging krachtens erfrecht door het overlijden van of krachtens schenking door een inwoner van een van de landen begrepen schulden - andere dan obligatieschulden - welke verzekerd zijn door hypotheek op onroerende goederen gelegen of gevestigd binnen een van de andere landen, worden in dat andere land in aanmerking genomen als negatieve bestanddelen van de verkrijging.
3.
Andere dan de in het eerste lid bedoelde bestanddelen van een verkrijging mogen worden belast in het land waarvan de overledene of de schenker ten tijde van het overlijden of het doen van de schenking inwoner was.
Inhoudsopgave
- Algemene bepaling
+ Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
- Hoofdstuk II. Vermijding van dubbele belasting
+ Hoofdstuk III. Wederzijdse bijstand
+ Hoofdstuk IV. Slotbepalingen
Parlement
Documenten bij de totstandkoming van (deze versie van) de wet.

Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht