1.
Het land van inwoning kan in het inkomen of vermogen begrijpen de bestanddelen welke ingevolge de voorgaande artikelen van deze afdeling mogen worden belast in een van de andere landen met dien verstande, dat op de berekende belasting een vermindering wordt toegepast welke gelijk is aan het bedrag dat tot die belasting in dezelfde verhouding staat als het totaal van de bestanddelen, welke in laatstbedoeld land - anders dan uitsluitend ingevolge artikel 11, tweede en derde lid, artikel 12, tweede lid, en artikel 13, tweede lid - mogen worden belast, staat tot het totale belastbare inkomen of vermogen. Artikel 23 wordt daarbij in aanmerking genomen.
2.
Het eerste lid laat onverlet de voorschriften van elk van de landen aangaande de bij de berekening van de in dat lid bedoelde vermindering in aanmerking te nemen verrekening van negatieve en positieve inkomensbestanddelen.
3.
De in een van de landen overeenkomstig artikel 11, tweede of derde lid, en artikel 13, tweede lid, bij wijze van inhouding geheven belasting van dividenden en rente, wordt in mindering gebracht op de in het land van inwoning ter zake van deze inkomsten verschuldigde belasting. De in het land van inwoning ter zake van deze inkomsten verschuldigde belasting wordt gesteld op een zodanig bedrag, dat tot de in dat land over het gehele inkomen berekende belasting in dezelfde verhouding staat als het bedrag van die inkomsten staat tot het totale belastbare inkomen. Indien evenwel die inkomsten in het land van inwoning naar een bijzonder tarief zijn belast, wordt in afwijking van de bepaling van de vorige volzin de in het land van inwoning ter zake van die inkomsten verschuldigde belasting gesteld op het daadwerkelijk volgens het bijzondere tarief ter zake van die inkomsten verschuldigde bedrag.
4.
Indien het land van inwoning geen belasting heft overeenkomstig artikel 11, tweede of derde lid, dan wel belasting heft tot een lager percentage dan door de genoemde bepaling is toegestaan, is dat land niet verplicht de in het derde lid bedoelde vermindering te verlenen, onderscheidenlijk niet verplicht die vermindering tot een hoger percentage te verlenen dan het land overeenkomstig de genoemde artikelen zelf heft van dergelijke inkomsten.
5.
Indien Aruba, Curaçao of Sint Maarten geen belasting heft overeenkomstig artikel 13, tweede lid, dan wel belasting heft tot een lager percentage dan door de genoemde bepaling is toegestaan, is Curaçao, onderscheidenlijk Aruba onderscheidenlijk Sint Maarten als land van inwoning niet verplicht de in het derde lid bedoelde vermindering – voor zover op rente betrekking hebbend – te verlenen, onderscheidenlijk niet verplicht die vermindering tot een hoger percentage te verlenen dan Aruba, Curaçao en Sint Maarten overeenkomstig artikel 13, tweede lid, zelf heffen van dergelijke inkomsten.
6.
Ingeval artikel 12, tweede lid, toepassing vindt, staat dat land op zijn belasting over die voordelen een aftrek toe. Het bedrag van die aftrek is gelijk aan de belasting die is betaald over de genoemde voordelen in het land waarvan die aandeelhouder inwoner is, maar bedraagt in geen geval meer dan dat deel van de inkomstenbelasting, zoals berekend voor de aftrek is toegestaan, dat toerekenbaar is aan de genoemde voordelen.
7.
Indien de natuurlijke persoon als bedoeld in artikel 12, tweede lid, in het land waarin hij inwoner is ter zake van die voordelen, zijnde het verschil tussen de overdrachtsprijs en de verkrijgingsprijs van de in die bepaling bedoelde aandelen of winstbewijzen, wordt onderworpen aan een tarief dat niet in belangrijke mate afwijkt van het tarief dat in het algemeen geldt voor inwoners van dat land en het tarief ter zake van die voordelen niet meer dan 10 punten afwijkt van het tarief dat over die voordelen geldt in het in artikel 12, tweede lid, genoemde land, wordt, in afwijking in zoverre van het zesde lid, de vermindering als volgt berekend. Het in artikel 12, tweede lid, eerstgenoemde land verleent op zijn belasting over die voordelen een aftrek ter grootte van de in dat land daarover verschuldigde belasting verminderd met 50% van de belasting die in het andere land over die voordelen is berekend voor een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting wordt verleend. In het land waarvan die aandeelhouder inwoner is, wordt vervolgens de belasting die toerekenbaar is aan die voordelen alvorens een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting wordt verleend, verminderd met de in het in artikel 12, tweede lid, eerstgenoemde land verschuldigde belasting.
8.
Indien een inwoner van een van de landen inkomsten verkrijgt die in overeenstemming met artikel 15, zesde lid, in het andere land mogen worden belast, staat het andere land op zijn belasting over die inkomsten een aftrek toe. Het bedrag van die aftrek is gelijk aan de belasting die is betaald in eerstbedoeld land over de genoemde inkomsten, maar bedraagt in geen geval meer dan dat deel van de inkomstenbelasting, zoals berekend voor de aftrek is toegestaan, dat toerekenbaar is aan de genoemde inkomsten.
9.
Voor de toepassing van het zesde, zevende en achtste lid, stellen de bevoegde autoriteiten van het land waarvan de desbetreffende persoon inwoner is de bevoegde autoriteiten van het andere land op de hoogte van het deel van het betaalde bedrag aan belasting dat toerekenbaar is aan de in de desbetreffende leden bedoelde voordelen of inkomsten.
10.
Nederland zorgt ervoor dat het heffen van bronbelasting als bedoeld in artikel 13a niet leidt tot dubbele belasting, overeenkomstig het bepaalde in artikel 14, tweede en derde lid, van de Richtlijn 2003/48/EG of zorgt voor restitutie van de bronbelasting.
Inhoudsopgave
- Algemene bepaling
+ Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
- Hoofdstuk II. Vermijding van dubbele belasting
+ Hoofdstuk III. Wederzijdse bijstand
+ Hoofdstuk IV. Slotbepalingen
Parlement
Documenten bij de totstandkoming van (deze versie van) de wet.

Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht