1.
Vermogen van een inwoner van een van de landen mag worden belast in een van de andere landen voor zover het bestaat uit:
a. Binnen dat andere land gelegen of gevestigde - al dan niet tot een onderneming behorende - onroerende goederen in de zin van artikel 4;
b. ander vermogen, dat behoort tot een binnen dat andere land aangehouden vaste inrichting van een onderneming ingeval de aan die vaste inrichting toe te rekenen winst in dat land mag worden belast.
2.
Andere dan de in het eerste lid bedoelde vermogensbestanddelen van een inwoner van een van de landen mogen worden belast in het land van inwoning.
Inhoudsopgave
- Algemene bepaling
+ Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
- Hoofdstuk II. Vermijding van dubbele belasting
+ Hoofdstuk III. Wederzijdse bijstand
+ Hoofdstuk IV. Slotbepalingen
Parlement
Documenten bij de totstandkoming van (deze versie van) de wet.

Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht