1.
Een besturingssysteem van een arbeidsmiddel is veilig.
2.
Een besturingssysteem levert ook bij onopzettelijke handelingen geen gevaar op voor de werknemers.
3.
Bij de keuze van een besturingssysteem wordt rekening gehouden met defecten, storingen en belastingen die bij het gebruik van het besturingssysteem kunnen worden verwacht.
4.
Een bedieningsorgaan is duidelijk zichtbaar en herkenbaar en is daartoe, waar nodig, op passende wijze van functionele aanduidingen voorzien.
5.
Een bedieningsorgaan bevindt zich zoveel mogelijk buiten de gevaarlijke zone van het arbeidsmiddel.
6.
De plaats van het bedieningsorgaan levert geen extra gevaren op voor de werknemers.
7.
Indien een arbeidsmiddel in werking kan worden gesteld of kan worden gestopt op een plaats van waar dat arbeidsmiddel niet geheel kan worden gezien, wordt, om de betrokken werknemers te beschermen, telkens tijdig voor het inwerkingstellen of stoppen van dat arbeidsmiddel een signaal gegeven dat voldoet aan het bij of krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 8 bepaalde.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Definities en toepassingsgebied
+ Hoofdstuk 2. Arbozorg en organisatie van de arbeid
+ Hoofdstuk 3. Inrichting arbeidsplaatsen
+ Hoofdstuk 4. Gevaarlijke stoffen en biologische agentia
+ Hoofdstuk 5. Fysieke belasting
+ Hoofdstuk 6. Fysische factoren
- Hoofdstuk 7. Arbeidsmiddelen en specifieke werkzaamheden
+ Hoofdstuk 8. Persoonlijke beschermingsmiddelen en veiligheids- en gezondheidssignalering
+ Hoofdstuk 9. Verplichtingen, strafbare feiten, overtredingen, bestuursrechtelijke bepalingen en overgangs- en slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht