1.
De op grond van artikel 125, eerste en tweede lid, van de Ambtenarenwet of van artikel 47, eerste lid, van de Politiewet 2012, vastgestelde voorschriften of regels, voor zover het de daarin opgenomen bepalingen betreffende ontslag op grond van ongeschiktheid voor zijn arbeid wegens ziekte of gebrek betreft, zoals deze bepalingen luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II van de Wet werken na de AOW-gerechtigde leeftijd, blijven gedurende zes maanden na dat tijdstip van inwerkingtreding van toepassing op de ambtenaar:
a. die op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding ten minste de in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet bedoelde leeftijd heeft, dan wel binnen zes maanden na dat tijdstip deze leeftijd bereikt, en
b. die voor het tijdstip van inwerkingtreding en tevens, al dan niet na een onderbreking gedurende minder dan vier weken, na dat tijdstip verhinderd is om de dienst te verrichten of het ambt te vervullen wegens ongeschiktheid als gevolg van ziekte.
2.
Na afloop van de in het eerste lid genoemde termijn van zes maanden, geldt de in artikel 127ca, eerste lid, genoemde termijn van dertien weken, voor zover het totale tijdvak niet meer bedraagt dan 104 weken.
Inhoudsopgave
+ Titel I. Algemeene bepalingen
+ Titel II. Beslag, terugvordering, verrekening en korting
+ Titel III. Bepalingen van materieel recht
- Titel IIIa. Bepalingen voor ambtenaren die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt
+ Titel IV. Overgangs- en slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht