1.
In afwijking van de in artikel 127c, eerste en tweede lid, genoemde termijn van 6 weken, geldt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip een termijn van dertien weken voor de werknemer die de in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet bedoelde leeftijd heeft bereikt.
2.
Indien de ongeschiktheid wegens ziekte een aanvang heeft genomen voor de datum waarop de werknemer de in het eerste lid bedoelde leeftijd heeft bereikt, geldt vanaf die datum de in het eerste lid genoemde termijn, voor zover het totale tijdvak niet meer bedraagt dan 104 weken.
3.
Met ingang van het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, geldt de in artikel 127c, eerste lid, onderdeel a, genoemde termijn van zes weken, voor zover het totale tijdvak niet meer bedraagt dan dertien weken.
4.
Het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, wordt niet eerder vastgesteld, dan nadat:
a. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de Wet werken na de AOW-gerechtigde leeftijd (Kamerstukken 34 073 ) in de praktijk gedurende de eerste twee jaren na inwerkingtreding van die wet, aan de beide kamers der Staten-Generaal heeft gezonden; en
b. acht weken zijn verstreken nadat het voornemen tot het vaststellen van dat tijdstip is meegedeeld aan de beide kamers der Staten-Generaal.
Inhoudsopgave
+ Titel I. Algemeene bepalingen
+ Titel II. Beslag, terugvordering, verrekening en korting
+ Titel III. Bepalingen van materieel recht
- Titel IIIa. Bepalingen voor ambtenaren die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt
+ Titel IV. Overgangs- en slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht