Wet van 6 december 2007, houdende algemene bepalingen met betrekking tot de erkenning van EG-beroepskwalificaties (Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging hebben genomen, dat het noodzakelijk is bij de wet regels te stellen ter uitvoering van richtlijn nr. 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PbEU L 255);
dat deze regels voor onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie, andere staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en Zwitserland de toegang tot en uitoefening van een gereglementeerd beroep in Nederland moeten waarborgen die afhankelijk zijn gesteld van het bezit van bepaalde beroepskwalificaties, indien de in een andere betrokken staat of andere betrokken staten verworven beroepskwalificaties aan hen het recht verlenen aldaar hetzelfde beroep uit te oefenen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1. Definities
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
aanpassingsstage: uitoefening in Nederland van een gereglementeerd beroep onder verantwoordelijkheid van een gekwalificeerde beroepsbeoefenaar, met in voorkomend geval een aanvullende opleiding, teneinde te kunnen beoordelen of de migrerende beroepsbeoefenaar voldoende bekwaamheid bezit om het desbetreffende beroep in Nederland uit te oefenen;
bekwaamheidsattest: bekwaamheidsattest als bedoeld in artikel 9, onder e;
beroepservaring: daadwerkelijke en geoorloofde voltijdse of gelijkwaardige deeltijdse uitoefening van het betrokken beroep in een betrokken staat;
beroepskwalificaties: kwalificaties die worden gestaafd door een opleidingstitel, een bekwaamheidsattest of beroepservaring;
beroepsstage: een periode van beroepsuitoefening onder toezicht van een supervisor die geldt als een voorwaarde voor toegang tot of uitoefening van een gereglementeerd beroep, en die plaatsvindt tijdens dan wel na afloop van een opleiding die leidt tot een diploma, certificaat of bekwaamheidsattest als bedoeld in artikel 9;
betrokken staat: lidstaat van de Europese Unie, andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland;
dwingende redenen van algemeen belang: redenen die als zodanig zijn erkend in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie;
ECTS-studiepunten: studiepunten die zijn gewaardeerd conform het European Credit Transfer System;
een leven lang leren: het geheel van alle vormen van algemeen onderwijs, beroepsonderwijs en beroepsopleidingen, niet-formeel onderwijs en informeel leren die gedurende het gehele leven plaatsvinden en die tot meer kennis, vaardigheden en competenties leiden, eventueel ook op het gebied van de beroepsethiek;
erkenning van beroepskwalificaties: erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5;
Europese beroepskaart: elektronisch document dat dient als bewijs dat een migrerende beroepsbeoefenaar aan de noodzakelijke voorwaarden voldoet voor toegang tot of uitoefening van een gereglementeerd beroep in een betrokken staat;
gereglementeerd beroep:
1°. beroepswerkzaamheid of geheel van beroepswerkzaamheden waarvoor geldt dat de toegang daartoe of uitoefening daarvan, waaronder het voeren van een beroepstitel, bij of krachtens wet direct of indirect afhankelijk is gesteld van het bezit van bepaalde beroepskwalificaties, of
2°. beroep dat wordt uitgeoefend door de leden van de verenigingen of organisaties die zijn genoemd in bijlage I van richtlijn nr. 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PbEU L 255);
gereglementeerde opleiding: opleiding die specifiek op een bepaald beroep is gericht en die bestaat uit een studiecyclus waarvan de structuur en het niveau bij of krachtens wet zijn vastgesteld, in voorkomend geval aangevuld met een beroepsopleiding, beroepsstage of praktijkervaring, waarvan de structuur en het niveau bij of krachtens wet zijn vastgesteld;
IMI: elektronisch informatiesysteem, bedoeld in artikel 1 van Verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt («de IMI-verordening»);
migrerende beroepsbeoefenaar:
1°. onderdaan van een betrokken staat;
2°. onderdaan van een derde land die houder is van een door een lidstaat van de Europese Unie afgegeven EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 8 van richtlijn nr. 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU L 016);
3°. familielid van een onderdaan van een betrokken staat dat onderdaan is van een derde land en dat uit hoofde van richtlijn nr. 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (PbEU L 158 en L 229), gerechtigd is een betrokken staat binnen te komen en er te verblijven;
Onze minister: Onze minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
Onze minister die het aangaat: Onze minister onder wiens beleidsverantwoordelijkheid de reglementering bij of krachtens wet van de toegang tot of uitoefening van het desbetreffende gereglementeerde beroep valt;
opleidingstitel:
1°. kwalificatie als bedoeld in artikel 9, onder a tot en met d, die door het daartoe bij of krachtens wet in een andere betrokken staat dan Nederland bevoegde gezag is afgegeven ter afsluiting van een overwegend in de gebieden waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is of Zwitserland gevolgde beroepsopleiding; of
2°. kwalificatie als bedoeld in artikel 9, onder a tot en met d, die door het daartoe bij of krachtens wet in een derde land bevoegde gezag is afgegeven, indien de migrerende beroepsbeoefenaar in het betrokken beroep een beroepservaring van ten minste drie jaar heeft opgedaan op het grondgebied van een betrokken staat anders dan Nederland die de betrokken kwalificatie heeft erkend en indien die betrokken staat deze beroepservaring bevestigt;
persoonsgegeven: persoonsgegeven als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet bescherming persoonsgegevens;
proeve van bekwaamheid: toets afgenomen of aanvaard door Onze minister die het aangaat, inzake de beroepskennis, -vaardigheden en -competenties van de migrerende beroepsbeoefenaar, die tot doel heeft te beoordelen of de migrerende beroepsbeoefenaar de bekwaamheid bezit om in Nederland een gereglementeerd beroep uit te oefenen, en die betrekking heeft op de vakgebieden die niet worden bestreken door de opleiding die de migrerende beroepsbeoefenaar heeft gevolgd en die wezenlijk zijn voor de uitoefening van het beroep in Nederland, en waaronder mede kan zijn begrepen kennis van de beroepsregels die in Nederland op de betrokken activiteiten van toepassing zijn, waarbij in aanmerking wordt genomen dat de migrerende beroepsbeoefenaar in de betrokken staat van oorsprong of herkomst een gekwalificeerde beroepsbeoefenaar is;
richtlijn: Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PbEU L 255), zoals deze laatstelijk gewijzigd is bij Richtlijn 2013/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 tot wijziging van Richtlijn 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties en Verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt («de IMI-verordening») (PbEU 2013, L 354)»;
verklaring omtrent het gedrag: verklaring als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
1.
Voor de erkenning als specialist in de zin van artikel 14 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg wordt onder Onze minister die het aangaat verstaan het orgaan, bedoeld in artikel 14, tweede lid, onder e, van die wet.
2.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op de artikelen 17, 18, 33, 34, en 36.
Artikel 3. Hetzelfde beroep
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt het beroep dat de migrerende beroepsbeoefenaar in een betrokken staat wenst uit te oefenen, aangemerkt als hetzelfde als dat waarvoor hij in de betrokken staat van oorsprong of herkomst de kwalificaties bezit, indien daaronder vergelijkbare werkzaamheden vallen.
1.
Deze wet is van toepassing op gereglementeerde beroepen, voor zover niet bij of krachtens wet ten aanzien van een beroep is geïmplementeerd:
a. de richtlijn, of
b. een afzonderlijke EU-richtlijn inzake de onderlinge erkenning van beroepskwalificaties.
2.
Deze wet is niet van toepassing op de gereglementeerde beroepen van notaris en toegevoegd notaris als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, respectievelijk onderdeel b, van de Wet op het notarisambt.
3.
Deze wet is niet van toepassing op een gereglementeerd beroep dat tevens een betrekking in overheidsdienst is als bedoeld in artikel 45, vierde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, tenzij bij of krachtens de wet anders is bepaald.
Artikel 4a. Reikwijdte hoofdstuk 2
Dit hoofdstuk ziet op de migrerende beroepsbeoefenaar die in Nederland toegang tot of uitoefening van een gereglementeerd beroep wenst op basis van beroepskwalificaties die in een andere betrokken staat verplicht zijn gesteld voor toegang tot of uitoefening van dat beroep.
1.
Onze minister die het aangaat kan erkenning van beroepskwalificaties verlenen aan een migrerende beroepsbeoefenaar die in Nederland toegang tot of uitoefening van een gereglementeerd beroep wenst op basis van beroepskwalificaties die in een andere betrokken staat verplicht zijn gesteld voor toegang tot of uitoefening van dat beroep.
2.
De migrerende beroepsbeoefenaar aan wie erkenning van beroepskwalificaties is verleend ten aanzien van een gereglementeerd beroep, voldoet aan de bij of krachtens wet voor de toelating tot of uitoefening van het desbetreffende beroep vereiste beroepskwalificaties en kan dat beroep uitoefenen onder de voorwaarden die in Nederland voor die beroepsuitoefening zijn gesteld.
1.
Onze minister die het aangaat verleent erkenning van beroepskwalificaties indien de migrerende beroepsbeoefenaar in het bezit is van een opleidingstitel die of een door het bevoegd gezag in een andere betrokken staat dan Nederland afgegeven bekwaamheidsattest dat blijk geeft van een beroepskwalificatieniveau, bedoeld in artikel 9, dat in de andere betrokken staat verplicht wordt gesteld aan de uitoefening van het betrokken beroep.
2.
Onze minister die het aangaat verleent eveneens erkenning van beroepskwalificaties indien de migrerende beroepsbeoefenaar het beroep in de tien jaar voorafgaand aan de aanvraag gedurende een jaar voltijds of gedurende een gelijkwaardige periode deeltijds heeft uitgeoefend in een andere betrokken staat dan Nederland waar dat beroep niet is gereglementeerd en de migrerende beroepsbeoefenaar in het bezit is van een of meer opleidingstitels of door het bevoegd gezag in een andere betrokken staat dan Nederland afgegeven bekwaamheidsattesten die aantonen dat de migrerende beroepsbeoefenaar op de uitoefening van het betrokken beroep is voorbereid.
3.
Onze minister die het aangaat erkent:
a. een door een andere betrokken staat geattesteerd opleidingsniveau als bedoeld in artikel 9; en
b. het certificaat waarmee de andere betrokken staat verklaart dat de opleiding, bedoeld in artikel 9, onderdeel c, onder 2°, gelijkwaardig is aan het niveau, bedoeld in artikel 9, onderdeel c, onder 1°.
Artikel 7. Gereglementeerde opleiding
De beroepservaring van een jaar, bedoeld in artikel 6, tweede lid, wordt niet geëist indien de migrerende beroepsbeoefenaar met de opleidingstitel of opleidingstitels een gereglementeerde opleiding heeft afgesloten.
Artikel 8. Geen erkenning beroepskwalificaties bij vier niveaus verschil
In afwijking van de artikelen 6, eerste en tweede lid, derde lid, onderdeel a, en 11, kan Onze minister die het aangaat erkenning van beroepskwalificaties weigeren indien de migrerende beroepsbeoefenaar in het bezit is van een bekwaamheidsattest op het kwalificatieniveau, bedoeld in artikel 9, onderdeel e, en voor toegang tot of uitoefening van het betrokken beroep een beroepskwalificatie van het kwalificatieniveau, bedoeld in artikel 9, onderdeel a, verplicht is gesteld.
Artikel 9. Kwalificatieniveaus
Voor de toepassing van artikel 6 en artikel 11, zevende lid, worden de beroepskwalificaties onderscheiden in de volgende vijf niveaus:
a. een diploma ter afsluiting van een opleiding op het niveau van het hoger onderwijs met een duur van ten minste vier jaar of, in geval van een deeltijdse opleiding, met een daaraan gelijkwaardige duur, die daarnaast kan worden uitgedrukt in een daaraan gelijkwaardig aantal ECTS-studiepunten, aan een universiteit of een instelling voor hoger onderwijs of aan een andere instelling met hetzelfde opleidingsniveau, en in voorkomend geval ter afsluiting van de beroepsopleiding die als aanvulling op deze hogeronderwijsopleiding is vereist;
b. een diploma ter afsluiting van een opleiding op het niveau van het hoger onderwijs met een duur van ten minste drie jaar en ten hoogste vier jaar, of, in geval van een deeltijdse opleiding, met een daaraan gelijkwaardige duur, die daarnaast kan worden uitgedrukt in een daaraan gelijkwaardig aantal ECTS-studiepunten, aan een universiteit of een instelling voor hoger onderwijs of aan een andere instelling met hetzelfde opleidingsniveau, en in voorkomend geval ter afsluiting van de beroepsopleiding die als aanvulling op deze hogeronderwijsopleiding is vereist;
c. een diploma ter afsluiting van:
1°. een opleiding op het niveau van het hoger onderwijs met een duur van ten minste één en minder dan drie jaar, of, in geval van een deeltijdse opleiding, met een daaraan gelijkwaardige duur, waarvoor als een van de toelatingsvoorwaarden in de regel geldt dat de secundaironderwijsopleiding is voltooid die voor de toegang tot het universitair of hoger onderwijs is vereist of een gelijkwaardige schoolopleiding van secundair niveau, en in voorkomend geval de beroepsopleiding die als aanvulling op deze hogeronderwijsopleiding is vereist, of
2°. een gereglementeerde opleiding of, in het geval van gereglementeerde beroepen, een beroepsopleiding met een bijzondere structuur, mits het diploma vergezeld gaat van een certificaat van de betrokken staat van oorsprong:
a. waarbij competenties worden aangereikt die de competenties van het kwalificatieniveau, bedoeld in onderdeel d, overstijgen; en
b. die gelijkwaardig is aan het opleidingsniveau, bedoeld onder 1°, en opleidt tot een daarmee vergelijkbare beroepsbekwaamheid alsook voorbereidt op een vergelijkbaar niveau van verantwoordelijkheden en taken;
d. een certificaat ter afsluiting van een opleiding op een niveau niet zijnde hoger onderwijs:
1°. van algemene aard, aangevuld met een andere dan de onder c bedoelde studiecyclus of beroepsopleiding of met de beroepsstage of praktijkervaring die als aanvulling op deze studiecyclus is vereist, of
2°. van technische of beroepsmatige aard, in voorkomend geval aangevuld met een studiecyclus of beroepsopleiding als bedoeld onder 1°, of met de beroepsstage of praktijkervaring die als aanvulling op deze studiecyclus is vereist;
e. een bekwaamheidsattest:
1°. na het volgen van een opleiding die niet wordt afgesloten met een certificaat of diploma als bedoeld onder a tot en met d, of
2°. na het afleggen van een specifiek examen zonder voorafgaande opleiding, of
3°. waaruit blijkt dat het beroep tijdens de voorafgaande tien jaar gedurende drie opeenvolgende jaren voltijds of gedurende een gelijkwaardige periode deeltijds in een andere betrokken staat dan Nederland is uitgeoefend, of
4°. na het volgen van een algemene opleiding op het niveau van het primair of secundair onderwijs, waaruit een zekere algemene ontwikkeling blijkt.
Artikel 10 . Gelijkstelling van beroepskwalificaties
Met een opleidingstitel ter afsluiting van een in artikel 9 bedoelde opleiding, met inbegrip van het betrokken niveau, wordt gelijkgesteld:
a. een opleidingstitel die, of een geheel van opleidingstitels dat door het bevoegd gezag in een andere betrokken staat dan Nederland is afgegeven, wanneer daarmee een in de gebieden waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is of Zwitserland op voltijdse of deeltijdse basis zowel binnen als buiten formele programma’s gevolgde opleiding wordt afgesloten die door deze betrokken staat als gelijkwaardig wordt erkend en waaraan dezelfde rechten voor de toegang tot of uitoefening van een beroep zijn verbonden, of die een voorbereiding vormt op de uitoefening van dat beroep.
b. een beroepskwalificatie die weliswaar niet meer voldoet aan de eisen die bij of krachtens wet in de betrokken staat van oorsprong of herkomst voor de toegang tot of uitoefening van een beroep zijn vastgesteld, maar die de houder ervan bij of krachtens wet in die betrokken staat verworven rechten verleent.
1.
Onze minister die het aangaat kan eisen dat de migrerende beroepsbeoefenaar een aanpassingsstage van ten hoogste drie jaar doorloopt of een proeve van bekwaamheid aflegt, indien:
a. de door de migrerende beroepsbeoefenaar gevolgde opleiding betrekking heeft op vakken die wezenlijk verschillen van de vakken die worden bestreken door de in Nederland vereiste opleiding, of
b. het in Nederland gereglementeerde beroep een of meer gereglementeerde beroepswerkzaamheden omvat die niet bestaan in hetzelfde beroep in de betrokken staat van oorsprong of herkomst van de migrerende beroepsbeoefenaar, en dit verschil wordt gekenmerkt door een opleiding die in Nederland is vereist en betrekking heeft op vakken die wezenlijk verschillen van de vakken die vallen onder het bekwaamheidsattest of de opleidingstitel van de migrerende beroepsbeoefenaar.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder vakken die wezenlijk verschillen verstaan vakken waarvan de kennis, vaardigheden en competenties van essentieel belang zijn voor de uitoefening van het beroep en waarvoor de door de migrerende beroepsbeoefenaar ontvangen opleiding naar duur of inhoud in belangrijke mate afwijkt van de in Nederland vereiste opleiding.
3.
Bij de toepassing van het eerste lid gaat Onze minister die het aangaat eerst na of de kennis, vaardigheden en competenties die de aanvrager heeft verworven in het kader van zijn beroepservaring of in het kader van een leven lang leren, en die met dat doel door een bevoegde instantie formeel zijn gevalideerd, in een betrokken staat of derde land, het wezenlijke verschil, bedoeld in het tweede lid, geheel of gedeeltelijk kunnen ondervangen.
4.
De migrerende beroepsbeoefenaar wordt de keuze gelaten tussen een aanpassingsstage en een proeve van bekwaamheid.
5.
De migrerende beroepsbeoefenaar komt de keuze, bedoeld in het vierde lid, niet toe:
a. met betrekking tot een beroep waarvan voor de uitoefening een precieze kennis van het Nederlands recht is vereist en waarvan het verstrekken van advies of het verlenen van bijstand op het gebied van het Nederlands recht een wezenlijk en vast onderdeel van de uitoefening vormt;
b. in geval van een in een derde land afgegeven opleidingstitel;
c. indien hij houder is van een beroepskwalificatie van een niveau als bedoeld in artikel 9, onderdeel e, en in Nederland voor toegang tot of uitoefening van het betrokken gereglementeerd beroep een beroepskwalificatie is vereist van het niveau, bedoeld in artikel 9, onderdeel c;
d. indien hij houder is van een beroepskwalificatie van een niveau als bedoeld in artikel 9, onderdeel d, en in Nederland voor toegang tot of uitoefening van het betrokken gereglementeerd beroep een beroepskwalificatie is vereist van het niveau, bedoeld in artikel 9, onderdeel a of b.
6.
In afwijking van het eerste lid, kan Onze minister die het aangaat eisen dat de migrerende beroepsbeoefenaar zowel een aanpassingsstage doorloopt als een proeve van bekwaamheid aflegt, indien de beroepsbeoefenaar in het bezit is van een beroepskwalificatie van een niveau als bedoeld in artikel 9, onderdeel e, en in Nederland voor toegang tot of uitoefening van het betrokken gereglementeerd beroep een beroepskwalificatie is vereist van het niveau, bedoeld in artikel 9, onderdeel b.
7.
Indien Onze minister die het aangaat een aanpassingsstage of een proeve van bekwaamheid eist, informeert hij de migrerende beroepsbeoefenaar over de redenen daartoe en verschaft daarbij informatie over:
a. het in Nederland voor de toegang tot en uitoefening van het betrokken gereglementeerd beroep vereiste niveau, bedoeld in artikel 9, en het niveau waarop de door de migrerende beroepsbeoefenaar behaalde beroepskwalificatie wordt ingedeeld; en
b. de wezenlijke verschillen, bedoeld in het tweede lid, en de redenen waarom deze verschillen niet kunnen worden gecompenseerd door de kennis, vaardigheden en competenties die de migrerende beroepsbeoefenaar heeft verworven door beroepservaring of in het kader van een leven lang leren en die met dat doel door een bevoegde instantie formeel zijn gevalideerd.
8.
Onze minister die het aangaat stelt de migrerende beroepsbeoefenaar van wie hij een proeve van bekwaamheid eist in de gelegenheid de proeve van bekwaamheid af te leggen binnen zes maanden na het nemen van het besluit.
1.
Indien de verschillen tussen in de betrokken staat van oorsprong of herkomst verrichte beroepswerkzaamheden en de beroepswerkzaamheden die het in Nederland gereglementeerde beroep omvat dermate groot zijn dat het eisen van een aanpassingsstage dan wel proeve van bekwaamheid, bedoeld in artikel 11, eerste lid, zou neerkomen op het volgen van een volledig onderwijs- of opleidingsprogramma, verleent Onze minister die het aangaat gedeeltelijke toegang tot het gereglementeerd beroep, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a. de migrerende beroepsbeoefenaar is volledig gekwalificeerd om in de betrokken staat van oorsprong of herkomst de beroepswerkzaamheden uit te oefenen waarvoor gedeeltelijke toegang wordt verleend; en
b. de beroepswerkzaamheden die de aanvrager wenst uit te oefenen kunnen objectief worden gescheiden van de andere beroepswerkzaamheden die het gereglementeerde beroep in Nederland omvat.
2.
Onze minister die het aangaat kan weigeren gedeeltelijke toegang te verlenen indien deze weigering wordt gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang en noodzakelijk is om het desbetreffende belang te beschermen.
3.
De migrerende beroepsbeoefenaar aan wie gedeeltelijke toegang is verleend, oefent de beroepswerkzaamheden uit onder de beroepstitel van zijn betrokken staat van oorsprong of herkomst. Onze minister die het aangaat kan bij ministeriële regeling het gebruik van die beroepstitel in een in Nederland officiële taal voorschrijven.
4.
De migrerende beroepsbeoefenaar maakt aan de afnemers van de diensten duidelijk kenbaar welke beroepswerkzaamheden hij gerechtigd is uit te oefenen.
1.
Onze minister die het aangaat kan alvorens te beslissen op een aanvraag om erkenning van beroepskwalificaties de volgende documenten eisen:
a. een bewijs van de nationaliteit van de migrerende beroepsbeoefenaar alsmede, indien de definitie van migrerende beroepsbeoefenaar, onder 2°, van toepassing is, een door Nederland afgegeven EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 8 van richtlijn nr. 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU L 016), of een door een andere betrokken staat dan Nederland afgegeven zodanige EU-verblijfsvergunning en een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000, of, indien de definitie van migrerende beroepsbeoefenaar, onder 3°, van toepassing is, een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie of een duurzame verblijfskaart of een ander bewijsmiddel waaruit blijkt dat de aanvrager het verblijfsrecht of het duurzaam verblijfsrecht heeft verkregen als bedoeld in hoofdstuk III, respectievelijk hoofdstuk IV van richtlijn nr. 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (PbEU L 158 en L 229);
b. een kopie van de bekwaamheidsattesten of van de opleidingstitels waarop de migrerende beroepsbeoefenaar zich beroept;
c. in voorkomend geval een bewijs van de beroepservaring van de migrerende beroepsbeoefenaar;
d. een attest ter bevestiging dat de migrerende beroepsbeoefenaar niet strafrechtelijk is veroordeeld noch aan hem een tijdelijk of permanent verbod op beroepsuitoefening is opgelegd, indien Nederland dat ook van zijn eigen onderdanen eist;
e. documenten, verklaringen en attesten als bedoeld in de artikelen 14 tot en met 16, voor zover de toegang tot of uitoefening van een gereglementeerd beroep daarvan mede afhankelijk is gesteld, en
f. documenten als bedoeld in artikel 17.
2.
Onze minister die het aangaat kan de migrerende beroepsbeoefenaar verzoeken informatie omtrent zijn opleiding te verstrekken, voor zover dat noodzakelijk is voor de vaststelling van wezenlijke verschillen als bedoeld in artikel 11, tweede lid.
1.
Indien de toegang tot of uitoefening van een gereglementeerd beroep mede afhankelijk is gesteld van:
a. een verklaring omtrent het gedrag of een ander document waaruit blijkt van een betrouwbaarheidsoordeel bij of krachtens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens , of
b. een document waaruit blijkt dat de migrerende beroepsbeoefenaar niet in staat van faillissement heeft verkeerd, noch ten aanzien van de migrerende beroepsbeoefenaar de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is geweest,
geldt als zodanig een met die verklaring of dat document overeenkomend document, afgegeven door het bevoegd gezag van de betrokken staat van oorsprong of herkomst van de migrerende beroepsbeoefenaar.
2.
Indien documenten als bedoeld in het eerste lid niet door het bevoegd gezag in de betrokken staat van oorsprong of herkomst worden afgegeven, kan de migrerende beroepsbeoefenaar volstaan met het afleggen van een verklaring onder ede of een plechtige verklaring ten overstaan van een daartoe in die betrokken staat bevoegde gerechtelijke of bestuurlijke autoriteit, een notaris of een in die betrokken staat bevoegde beroepsorganisatie, die een attest afgeeft waaruit blijkt dat deze verklaring onder ede of plechtige verklaring is afgelegd.
3.
De in het eerste en tweede lid bedoelde verklaringen, documenten en attesten mogen bij indiening van een aanvraag tot het verkrijgen van een erkenning van beroepskwalificaties niet ouder zijn dan drie maanden.
1.
Indien de toegang tot of uitoefening van een gereglementeerd beroep mede afhankelijk is gesteld van een document betreffende de geestelijke of lichamelijke gezondheid, geldt als zodanig het document dat in de betrokken staat van oorsprong of herkomst ter zake is vereist.
2.
Indien in de betrokken staat van oorsprong of herkomst een document als bedoeld in het eerste lid niet is vereist, kan de migrerende beroepsbeoefenaar volstaan met een attest afgegeven door het bevoegd gezag van die betrokken staat.
3.
Artikel 14, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
Indien de toegang tot of uitoefening van een gereglementeerd beroep mede afhankelijk is gesteld van:
a. een bewijs van financiële draagkracht, of
b. een bewijs van verzekering tegen de financiële risico’s die verband houden met beroepsaansprakelijkheid,
geldt als genoegzaam bewijs een attest ter zake afgegeven door banken of verzekeringsmaatschappijen van een andere betrokken staat dan Nederland.
2.
Artikel 14, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
Indien Onze minister die het aangaat de toegang tot of uitoefening van een gereglementeerd beroep tijdelijk of permanent verbiedt in geval van tuchtrechtelijke of strafrechtelijke inbreuken, gelden documenten afgegeven door het bevoegd gezag van de betrokken staat van oorsprong of herkomst waaruit blijkt dat aan de migrerende beroepsbeoefenaar geen tijdelijk of permanent tuchtrechtelijk of strafrechtelijk beroepsuitoefeningsverbod is opgelegd als genoegzaam bewijs.
2.
Artikel 14, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 18. Eed of belofte
Indien voor de toegang tot of uitoefening van een gereglementeerd beroep het afleggen van een eed of belofte is vereist en de formule van deze eed of belofte niet door de migrerende beroepsbeoefenaar kan worden gebruikt, draagt Onze minister die het aangaat ervoor zorg dat de migrerende beroepsbeoefenaar een passende gelijkwaardige formule kan gebruiken.
1.
Onze minister die het aangaat bevestigt binnen een maand de ontvangst van een aanvraag om erkenning van beroepskwalificaties, en deelt bij die gelegenheid in voorkomend geval mede met welke documenten de aanvraag dient te worden aangevuld.
2.
Onze minister die het aangaat beslist zo spoedig mogelijk en in elk geval binnen drie maanden op de aanvraag. Deze termijn kan eenmaal met een maand worden verlengd, tenzij sprake is van een gereglementeerd beroep waarvoor een automatische erkenning geldt als bedoeld in titel III, hoofdstuk III, van de richtlijn of van automatische erkenning op basis van gemeenschappelijke opleidingsbeginselen als bedoeld in artikel 30c.
3.
Het besluit, bedoeld in het tweede lid, kan worden aangehouden in geval van het eisen van een aanpassingsstage of een proeve van bekwaamheid als bedoeld in artikel 11. De migrerende beroepsbeoefenaar wordt daarvan binnen de in het tweede lid bedoelde termijn op de hoogte gebracht.
4.
In geval van toepassing van het derde lid neemt Onze minister die het aangaat zo spoedig mogelijk en in elk geval binnen een maand nadat de migrerende beroepsbeoefenaar een aanpassingsstage heeft doorlopen of een proeve van bekwaamheid heeft afgelegd, een besluit als bedoeld in het tweede lid.
Artikel 20. Voeren van beroepstitel
Indien in Nederland voorschriften gelden voor het voeren van de beroepstitel voor een van de werkzaamheden van het betrokken gereglementeerde beroep, voert de migrerende beroepsbeoefenaar die op grond van dit hoofdstuk is gerechtigd het gereglementeerde beroep uit te oefenen, de beroepstitel die in Nederland bij dit beroep behoort, en maakt de migrerende beroepsbeoefenaar gebruik van de eventuele afkorting van deze titel.
hoofdstuk 3 van Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties">
Artikel 21. Begripsbepaling hoofdstuk 3
In dit hoofdstuk wordt onder dienstverrichter verstaan een migrerende beroepsbeoefenaar die zich vanuit een andere betrokken staat waar de migrerende beroepsbeoefenaar op wettige wijze is gevestigd om er een beroep uit te oefenen naar Nederland begeeft om er bij wijze van tijdelijke en incidentele dienstverrichting hetzelfde gereglementeerde beroep uit te oefenen. Het tijdelijke en incidentele karakter van de dienstverrichting wordt per geval beoordeeld, met name in het licht van de duur, frequentie, regelmaat en continuïteit van de dienstverrichting.
Artikel 22 . Geen beperkingen op dienstverrichting
Onverminderd de artikelen 23, 24, 27 en 28 stelt Onze minister die het aangaat aan een dienstverrichter geen beperkingen wegens beroepskwalificaties indien:
a. het beroep, het onderwijs, of de opleiding die leidt tot toegang tot of uitoefening van het beroep in de betrokken staat van vestiging is gereglementeerd, of
b. het beroep of de opleiding die leidt tot toegang tot of uitoefening van het beroep in een of meer betrokken staten niet is gereglementeerd en de migrerende beroepsbeoefenaar tijdens de tien jaar voorafgaand aan de dienstverrichting in Nederland gedurende ten minste een jaar dat beroep heeft uitgeoefend in een of meer betrokken staten.
1.
Onze minister die het aangaat kan van een dienstverrichter voorafgaand aan de eerste dienstverrichting in Nederland een schriftelijke verklaring eisen met daarin gegevens betreffende verzekering of gelijksoortige bescherming tegen de financiële risico’s van beroepsaansprakelijkheid.
2.
De verklaring kan met alle middelen worden aangeleverd en wordt steeds na een jaar opnieuw afgegeven door de dienstverrichter indien hij voornemens is om gedurende het opvolgende jaar in Nederland tijdelijk en incidenteel diensten te verrichten.
3.
Onze minister die het aangaat kan eisen dat de verklaring die voorafgaat aan de eerste dienstverrichting in Nederland vergezeld gaat van de volgende documenten, afgegeven door de terzake bevoegde autoriteit van de desbetreffende betrokken staat:
a. een bewijs van de nationaliteit van de dienstverrichter alsmede, indien de definitie van migrerende beroepsbeoefenaar, onder 2°, van toepassing is, een door Nederland afgegeven EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 8 van richtlijn nr. 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU L 016), of een door een andere betrokken staat dan Nederland afgegeven zodanige EU-verblijfsvergunning en een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000, of, indien de definitie van migrerende beroepsbeoefenaar, onder 3°, van toepassing is, een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie of een duurzame verblijfskaart of een ander bewijsmiddel waaruit blijkt dat de aanvrager het verblijfsrecht of het duurzaam verblijfsrecht heeft verkregen als bedoeld in hoofdstuk III, respectievelijk hoofdstuk IV van richtlijn nr. 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (PbEU L 158 en L 229);
b. een attest dat de dienstverrichter rechtmatig in een andere betrokken staat dan Nederland is gevestigd om er de betrokken werkzaamheden uit te oefenen, en dat de dienstverrichter op het moment van afgifte van het attest geen permanent of tijdelijk beroepsverbod is opgelegd;
c. bewijs van beroepskwalificaties;
d. voor gevallen als bedoeld in artikel 22, onder b, een bewijs van de daar omschreven beroepservaring;
e. voor gereglementeerde beroepen in de veiligheidssector en de gezondheidssector alsmede voor gereglementeerde beroepen in de onderwijssector waar met minderjarigen wordt gewerkt, waaronder gereglementeerde beroepen in de kinderopvang, de voorschoolse educatie en de vroegschoolse educatie, een bewijs dat de dienstverrichter geen tijdelijk of permanent beroepsverbod heeft of niet strafrechtelijk is veroordeeld, indien Nederland dat ook van zijn eigen onderdanen eist;
f. voor gereglementeerde beroepen die implicaties hebben voor patiëntveiligheid, een verklaring waaruit blijkt dat de dienstverrichter beschikt over de taalkennis die noodzakelijk is voor de uitoefening van de betrokken werkzaamheden in Nederland.
4.
Indien zich een wezenlijke verandering heeft voorgedaan in de door de documenten, bedoeld in het derde lid, gestaafde situatie, maakt de dienstverrichter daarvan binnen een maand melding bij Onze minister die het aangaat, onder overlegging van documenten als bedoeld in het derde lid waaruit die nieuwe situatie blijkt.
5.
Indien het beroep in delen van het grondgebied van Nederland verschillend is gereglementeerd kan Onze minister die het aangaat ter zake met betrekking tot de beroepskwalificaties van de dienstverrichter de in het derde lid vermelde aanvullende gegevens eisen indien:
a. deze reglementering ook op alle onderdanen van Nederland van toepassing is;
b. deze verschillen in regelgeving te rechtvaardigen zijn door dwingende redenen van algemeen belang die verband houden met de volksgezondheid of de openbare veiligheid van de afnemers van de diensten; en
c. Onze minister die het aangaat over geen andere middelen beschikt om deze informatie te verkrijgen.
Artikel 24. Vrijstellingen
Een dienstverrichter is vrijgesteld van de eisen die gelden voor in Nederland gevestigde beroepsbeoefenaren met betrekking tot:
a. de autorisatie door een beroepsorganisatie;
b. de inschrijving bij een beroepsorganisatie of bij een bij of krachtens wet ingesteld register; of
c. de aansluiting bij een beroepsorganisatie.
1.
Een dienstverrichter valt onder de beroepsregels die rechtstreeks verband houden met beroepskwalificaties en de tuchtrechtelijke bepalingen die in Nederland van toepassing zijn op beoefenaren van hetzelfde beroep.
2.
Om toepassing van de tuchtrechtelijke bepalingen, bedoeld in het eerste lid, mogelijk te maken, draagt Onze minister die het aangaat ervoor zorg dat is voorzien in automatische tijdelijke inschrijving bij een beroepsorganisatie of een bij of krachtens wet ingesteld register dan wel aansluiting pro forma bij een beroepsorganisatie, voor zover dit de dienstverrichting op geen enkele wijze vertraagt of bemoeilijkt en voor de dienstverrichter geen extra kosten meebrengt.
3.
Onze minister die het aangaat stuurt aan de betrokken beroepsorganisatie of het betrokken bij of krachtens wet ingestelde register een kopie van de in artikel 23 bedoelde verklaring en in voorkomend geval de verlenging daarvan, alsmede, voor beroepen die verband houden met de volksgezondheid en de openbare veiligheid als bedoeld in artikel 27, of waarvoor een automatische erkenning geldt als bedoeld in titel III, hoofdstuk III, van de richtlijn, een kopie van de in artikel 23, derde lid, bedoelde documenten.
4.
Het moment van versturen van de kopieën, bedoeld in het derde lid, wordt gelijkgesteld met een automatische tijdelijke inschrijving of aansluiting pro forma als bedoeld in het tweede lid.
1.
De dienstverrichter voert de beroepstitel waartoe hij in de betrokken staat van vestiging is gerechtigd. Deze titel wordt vermeld in de officiële taal of één van de officiële talen van de betrokken staat van vestiging.
2.
Indien de titel, bedoeld in het eerste lid, niet bestaat, voert de dienstverrichter de titel die behoort bij zijn opleiding in de officiële taal of één van de officiële talen van de betrokken staat van vestiging.
3.
De dienstverrichter voert de Nederlandse beroepstitel:
a. in geval van een gereglementeerd beroep waarvoor een automatische erkenning geldt als bedoeld in titel III, hoofdstuk III, van de richtlijn;
b. in de gevallen waarin de beroepskwalificaties overeenkomstig artikel 27 zijn geverifieerd.
1.
Onze minister die het aangaat kan voorafgaand aan de eerste dienstverrichting de beroepskwalificaties van de dienstverrichter controleren indien de te verrichten dienst een gereglementeerd beroep betreft met implicaties voor de volksgezondheid of de openbare veiligheid en dat is geplaatst op een door Onze minister bij ministeriële regeling vastgestelde lijst.
2.
De controle is slechts toegestaan voor zover deze tot doel heeft ernstige schade voor de gezondheid of de veiligheid van de afnemer van de dienstverrichting als gevolg van een niet toereikende beroepskwalificatie van de dienstverrichter te voorkomen.
3.
Indien de beroepskwalificaties van de dienstverrichter wezenlijk verschillen van de in Nederland voor de toelating tot of uitoefening van het desbetreffende gereglementeerde beroep vereiste opleiding, en wel in die mate dat dit verschil de volksgezondheid of de openbare veiligheid kan schaden, en wanneer de dienstverrichter dit niet kan compenseren met beroepservaring of met in het kader van een leven lang leren verworven kennis, vaardigheden of competenties die met dat doel door een bevoegde instantie formeel zijn gevalideerd, biedt Onze minister die het aangaat de dienstverrichter de mogelijkheid om aan te tonen dat hij de ontbrekende kennis, vaardigheden of competenties heeft verworven, door middel van een proeve van bekwaamheid.
4.
Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing in geval van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 30c.
1.
In geval van toepassing van artikel 27, eerste lid, beslist Onze minister die het aangaat binnen een maand na ontvangst van de verklaring en de documenten, bedoeld in artikel 23:
a. de beroepskwalificaties niet te controleren, of
b. na de beroepskwalificaties te hebben gecontroleerd:
1°. van de dienstverrichter het afleggen van een proeve van bekwaamheid, als bedoeld in artikel 27, derde lid, te verlangen;
2°. de dienstverrichting toe te staan; of
3°. indien de verschillen tussen in de betrokken staat van vestiging verrichte beroepswerkzaamheden en de beroepswerkzaamheden die het in Nederland gereglementeerde beroep omvat dermate groot zijn dat het eisen van een proeve van bekwaamheid als bedoeld in artikel 27, derde lid, zou neerkomen op het volgen van een volledig onderwijs- of opleidingsprogramma, gedeeltelijke toegang te verlenen voor het verrichten van die beroepswerkzaamheden waartoe de dienstverrichter in de betrokken staat van vestiging is gekwalificeerd.
2.
Onze minister die het aangaat kan de beslistermijn, bedoeld in het eerste lid, opschorten door de aanvrager binnen die termijn in kennis te stellen van de opschorting, onder vermelding van de reden. De termijn waarvoor kan worden opgeschort bedraagt hoogstens een maand, in voorkomende gevallen in afwijking van artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht. Nadat de termijn van opschorting is verstreken, beslist Onze minister die het aangaat binnen twee maanden, ongeacht, in afwijking van artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht, welk deel na de termijn van opschorting nog resteert van de beslistermijn, bedoeld in het eerste lid.
3.
Onze minister die het aangaat beslist binnen een maand na het besluit, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, op basis van het resultaat van de proeve van bekwaamheid over het toestaan van de dienstverrichting.
4.
Indien Onze minister die het aangaat de beslistermijnen, bedoeld in dit artikel, overschrijdt, wordt de dienstverrichting geacht te zijn toegestaan. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.
5.
In het geval van toepassing van het eerste lid, onderdeel b, onder 3°, is artikel 12 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 29. Gegevens voor afnemers van de dienst
Wanneer de dienstverrichter de beroepstitel waartoe hij in de betrokken staat van vestiging is gerechtigd of de titel die behoort bij zijn opleiding, bedoeld in artikel 26, tweede lid, voert, kan Onze minister die het aangaat eisen dat de dienstverrichter aan de afnemer van de dienst de volgende gegevens verstrekt:
a. wanneer de dienstverrichter in een handelsregister of een vergelijkbaar openbaar register is ingeschreven, het register waar hij is ingeschreven en zijn inschrijvingsnummer, of een vergelijkbaar middel ter identificatie in dat register;
b. wanneer voor uitoefening van de betrokken werkzaamheid in de betrokken staat van vestiging een vergunning is vereist, de naam en het adres van de bevoegde toezichthoudende instantie;
c. de beroepsordes of soortgelijke organisaties waarbij de dienstverrichter is aangesloten;
d. wanneer de dienstverrichter een onder de omzetbelasting vallende werkzaamheid uitoefent, het btw-identificatienummer, bedoeld in artikel 2a, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de omzetbelasting 1968;
e. gegevens betreffende verzekering of gelijksoortige bescherming tegen de financiële risico’s van beroepsaansprakelijkheid.
1.
Onze minister die het aangaat verstrekt aan een bevoegde autoriteit van een andere betrokken staat dan Nederland waar een migrerende beroepsbeoefenaar die in Nederland is gevestigd tijdelijk en incidenteel diensten gaat verrichten op diens verzoek en indien het verzoek deugdelijk is gemotiveerd:
a. in geval van gegronde twijfel, informatie over de migrerende beroepsbeoefenaar inzake de rechtmatigheid van de vestiging, het goede gedrag, alsmede over het ontbreken van tuchtrechtelijke maatregelen of strafrechtelijke sancties ter zake van de beroepsuitoefening;
b. informatie over opleidingscursussen van de migrerende beroepsbeoefenaar voor zover noodzakelijk om wezenlijke verschillen die de volksgezondheid of de openbare veiligheid kunnen beschadigen te beoordelen.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onderdeel a, zijn de artikelen 34, tweede tot en met vierde lid, 34a en 34b van overeenkomstige toepassing.
3.
Onze minister die het aangaat kan een bevoegde autoriteit uit een andere betrokken staat van vestiging van een dienstverrichter die in Nederland tijdelijk en incidenteel diensten wenst te verrichten verzoeken, mits deugdelijk gemotiveerd, om:
a. in geval van gegronde twijfel, informatie over de dienstverrichter inzake de rechtmatigheid van de vestiging, het goede gedrag, alsmede over het ontbreken van tuchtrechtelijke maatregelen of strafrechtelijke sancties ter zake van de beroepsuitoefening;
b. informatie over opleidingscursussen van de dienstverrichter voor zover noodzakelijk om wezenlijke verschillen die de volksgezondheid of de openbare veiligheid kunnen beschadigen te beoordelen.
4.
De verstrekking, bedoeld in het eerste lid, alsmede het verzoek, bedoeld in het derde lid, geschiedt via het IMI.
5.
Indien een verzoek als bedoeld in het derde lid een beroep betreft dat in de andere betrokken staat niet gereglementeerd is, kan dat verzoek in plaats van aan een bevoegde autoriteit van de andere betrokken staat, worden gericht aan een assistentiecentrum als bedoeld in artikel 57 ter van de richtlijn van die andere betrokken staat.
1.
Onze ministers die het aangaat kunnen onderling informatie opvragen over een dienstverrichter en zij verstrekken onderling informatie over een dienstverrichter voor zover noodzakelijk voor de afhandeling van een klacht van een afnemer over de dienstverrichter in het kader van de beroepsuitoefening.
2.
Onze minister die het aangaat verstrekt aan een bevoegde autoriteit van een andere betrokken staat dan Nederland op diens verzoek en mits het verzoek deugdelijk is gemotiveerd, informatie over een dienstverrichter voor zover noodzakelijk voor de afhandeling van een klacht van een afnemer over de dienstverrichter in het kader van de beroepsuitoefening.
3.
Onze minister die het aangaat kan bij een bevoegde autoriteit van een andere betrokken staat dan Nederland informatie opvragen over een dienstverrichter voor zover noodzakelijk voor de afhandeling van een klacht van een afnemer over de dienstverrichter in het kader van de beroepsuitoefening en mits het verzoek om informatie deugdelijk is gemotiveerd.
4.
Dit artikel geldt onverminderd het bepaalde in de artikelen 34 tot en met 34b.
1.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld voor een Europese beroepskaart als bedoeld in de richtlijn voor een beroep dat in Nederland gereglementeerd is.
2.
De regels betreffen onder meer:
a. de procedures voor de aanvraag en afgifte van een Europese beroepskaart;
b. de verwerking van persoonsgegevens in verband met een afgegeven Europese beroepskaart of de verkrijging van een Europese beroepskaart, waaronder bijzondere persoonsgegevens in verband met artikel 4 sexies van de richtlijn;
c. indien de richtlijn en de daarop berustende bepalingen daartoe aanleiding geven, dat indien Onze minister die het aangaat kennis neemt van de indiening in een andere betrokken staat van een aanvraag voor een Europese beroepskaart voor de toegang tot of uitoefening van het beroep in Nederland, en de aanvrager tevens op grond van deze wet een aanvraag heeft ingediend voor de toegang tot of uitoefening van het beroep in Nederland inzake hetzelfde gereglementeerde beroep, Onze minister die het aangaat besluit laatstgenoemde aanvraag niet te behandelen dan wel buiten behandeling te stellen, in afwijking van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht; en
d. indien de richtlijn en de daarop berustende bepalingen daartoe aanleiding geven, dat een termijn voor het geven van een beschikking in afwijking van artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht niet wordt opgeschort.
3.
De regels kunnen onder meer betreffen het ten laste van de aanvrager van een Europese beroepskaart brengen van kosten in verband met die aanvraag, met dien verstande dat de kosten die ten laste van de aanvrager worden gebracht redelijk, evenredig en in verhouding zijn tot de gemaakte kosten, de gemaakte kosten niet overschrijden, en het doen van een aanvraag niet ontmoedigen.
1.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld voor een Europese beroepskaart als bedoeld in de richtlijn voor een beroep dat in Nederland niet gereglementeerd is.
2.
De regels kunnen onder meer betreffen:
a. in hoeverre en op welke wijze artikelen van deze wet van overeenkomstige toepassing zijn; en
b. de aanwijzing van een bevoegde autoriteit als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel d, van de richtlijn.
3.
Het tweede en derde lid van artikel 30a zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 30c. Automatische erkenning bij gemeenschappelijke opleidingsbeginselen
Indien de Europese Commissie gemeenschappelijke opleidingsbeginselen heeft vastgesteld als bedoeld in titel III, hoofdstuk III bis, van de richtlijn, en er geen vrijstelling is als bedoeld in de artikelen 49 bis, vijfde lid, en 49 ter, vijfde lid, van de richtlijn, verleent Onze minister die het aangaat automatische erkenning aan beroepskwalificaties op basis van die gemeenschappelijke opleidingsbeginselen, met inachtneming van bij ministeriële regeling te stellen regels. Artikel 33, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
De migrerende beroepsbeoefenaar die op grond van hoofdstuk 2 of hoofdstuk 3 erkenning van beroepskwalificaties heeft verkregen respectievelijk is toegelaten als dienstverrichter, of die een Europese beroepskaart heeft verkregen met het oog op beroepsuitoefening in Nederland, beschikt over de talenkennis die voor de uitoefening van het desbetreffende gereglementeerde beroep is vereist.
2.
Onze minister die het aangaat kan besluiten de talenkennis, bedoeld in het eerste lid, te controleren:
a. bij gereglementeerde beroepen met implicaties voor patiëntveiligheid;
b. bij de overige gereglementeerde beroepen, in geval van ernstige en concrete twijfel.
3.
De taalcontrole is evenredig aan de uit te oefenen beroepswerkzaamheden en beperkt zich tot de kennis van één officiële taal in Nederland.
1.
Onze minister die het aangaat stelt de bevoegde autoriteiten van alle andere betrokken staten in kennis van een in Nederland door een rechterlijke instantie of een andere bij of krachtens de wet bevoegde instantie aan een migrerende beroepsbeoefenaar opgelegd verbod of een opgelegde beperking, tijdelijk dan wel permanent, op de uitoefening van een in Nederland gereglementeerd beroep. Het opgelegde verbod of de opgelegde beperking heeft betrekking op:
a. een gereglementeerd beroep als bedoeld in artikel 56 bis, eerste lid, onderdelen a tot en met j, van de richtlijn;
b. een gereglementeerd beroep dat beroepswerkzaamheden omvat met implicaties voor de patiëntveiligheid; of
c. een gereglementeerd beroep dat verband houdt met onderwijs aan minderjarigen, de kinderopvang, de voorschoolse educatie en de vroegschoolse educatie.
2.
De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, geschiedt via het IMI en vindt plaats binnen drie dagen nadat ingevolge het verbod of de beperking de uitoefening van het betreffende beroep daadwerkelijk niet of slechts beperkt mag geschieden. De kennisgeving bevat uitsluitend de volgende gegevens:
a. de identiteit van de desbetreffende migrerende beroepsbeoefenaar;
b. het betrokken gereglementeerde beroep;
c. de rechterlijke instantie of andere bij of krachtens de wet bevoegde instantie die het verbod of de beperking heeft opgelegd;
d. de reikwijdte van de beperking of het verbod; en
e. de periode gedurende welke de beperking of het verbod van kracht is.
3.
De rechterlijke instanties en andere bij of krachtens de wet bevoegde instanties, bedoeld in het eerste lid, verstrekken Onze minister die het aangaat de gegevens, bedoeld in het tweede lid. De verstrekking kan ook geschieden door of via andere daartoe aangewezen instanties of personen.
4.
De bevoegde autoriteiten van de andere betrokken staten worden onverwijld in kennis gesteld indien een verbod of een beperking als bedoeld in het eerste lid eindigt.
5.
De gegevens van een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid worden uit het IMI verwijderd binnen drie dagen nadat het verbod of de beperking is opgeheven of geëindigd.
6.
Het besluit tot de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, alsmede het besluit tot wijziging van die kennisgeving op grond van dit artikel, is een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Van dit besluit wordt de migrerende beroepsbeoefenaar schriftelijk in kennis gesteld op hetzelfde moment als waarop de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, of een wijziging daarvan wordt verricht. Indien tegen dit besluit bezwaar of beroep aanhangig is, deelt Onze minister die het aangaat dit via het IMI mede aan de bevoegde autoriteiten van de andere betrokken staten.
7.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften vastgesteld ter uitvoering van dit artikel. Deze voorschriften kunnen onder meer inhouden:
a. een nadere bepaling van de beroepen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b, en c;
b. een nadere bepaling welke verboden en beperkingen een kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, kan betreffen;
c. regels over de voor de toepassing van dit artikel noodzakelijke verwerking van persoonsgegevens;
d. voorschriften in verband met door de Europese Commissie vastgestelde uitvoeringshandelingen krachtens artikel 56 bis, achtste lid, van de richtlijn.
8.
Onze minister die het aangaat kan in verband met de afhandeling van een bezwaar of beroep als bedoeld in het zesde lid, gegevens in verband met de kennisgeving verwerken voor zover dit noodzakelijk is met het oog op die afhandeling.
1.
Indien een migrerende beroepsbeoefenaar door een rechterlijke instantie of een andere bij of krachtens de wet bevoegde instantie in Nederland schuldig is bevonden aan het gebruik van valse beroepskwalificaties in verband met een procedure als bedoeld in de hoofdstukken 2, 3 of 3a, stelt Onze minister die het aangaat de bevoegde autoriteiten van alle andere betrokken staten daarvan in kennis.
2.
De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, geschiedt via het IMI en vindt plaats binnen drie dagen na de uitspraak van de desbetreffende instantie.
3.
Artikel 31a, tweede tot en met achtste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
Onze minister die het aangaat kan de door hem ontvangen waarschuwingen die bevoegde autoriteiten van andere betrokken staten hebben verricht in het waarschuwingsmechanisme, bedoeld in artikel 56 bis van de richtlijn, verwerken.
2.
De verwerking, bedoeld in het eerste lid, kan onder meer inhouden het onderzoeken of voor degene op wie de ontvangen waarschuwing betrekking heeft een procedure op grond van deze wet aanhangig is of is geweest, en of degene op wie de ontvangen waarschuwing betrekking heeft in Nederland werkzaam is in een gereglementeerd beroep, en als dat het geval is waar. Desgevraagd verstrekken derden Onze minister die het aangaat de hiervoor benodigde informatie.
3.
De verwerking, bedoeld in het eerste lid, kan onder meer het informeren van derden over een waarschuwing inhouden.
4.
Onze minister die het aangaat kan bij de bevoegde autoriteit van de betrokken staat waarvan de waarschuwing afkomstig is, nadere informatie opvragen over de waarschuwing, waaronder informatie over de aanleiding voor het verbod of de beperking op de uitoefening van het beroep dan wel voor het schuldig bevinden aan het gebruik van valse beroepskwalificaties.
5.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld voor de verwerking, bedoeld in het eerste lid.
1.
Onverminderd de artikelen 20 en 26, heeft de migrerende beroepsbeoefenaar het recht gebruik te maken van academische titels die aan de migrerende beroepsbeoefenaar zijn verleend in de betrokken staat van oorsprong of herkomst, en eventueel van de afkorting daarvan, in de taal van die betrokken staat. Onze minister die het aangaat kan voorschrijven dat deze titel wordt gevolgd door de naam en de plaats van de instelling of de examencommissie die de titel heeft verleend.
2.
Indien een academische titel als bedoeld in het eerste lid kan worden verward met een titel waarvoor in Nederland een aanvullende opleiding is vereist die de migrerende beroepsbeoefenaar niet heeft gevolgd, kan Onze minister die het aangaat voorschrijven dat de migrerende beroepsbeoefenaar de academische titel van de betrokken staat van oorsprong of herkomst voert in een door Onze minister die het aangaat aangegeven passende vorm.
1.
Indien een migrerende beroepsbeoefenaar die in het bezit is van in Nederland behaalde beroepskwalificaties, in een andere betrokken staat een beroepsstage heeft doorlopen en toegang wenst tot een gereglementeerd beroep in Nederland waarvoor een beroepsstage is vereist, beschouwt Onze minister die het aangaat, indien hij een verzoek om toelating om het gereglementeerde beroep uit te oefenen, in overweging neemt, de in de andere betrokken staat gevolgde beroepsstage als die vereiste beroepsstage, mits de in de andere betrokken staat gevolgde beroepsstage in overeenstemming is met door Onze minister die het aangaat vast te stellen beleidsregels op grond van het derde lid.
2.
Indien een migrerende beroepsbeoefenaar die in het bezit is van in Nederland behaalde beroepskwalificaties, in een derde land een beroepsstage heeft doorlopen en toegang wenst tot een gereglementeerd beroep waarvoor een beroepsstage is vereist, houdt Onze minister die het aangaat rekening met de in het derde land gevolgde beroepsstage bij de behandeling van het verzoek tot toegang tot het desbetreffende gereglementeerde beroep.
3.
Onze minister die het aangaat stelt beleidsregels vast voor de toepassing van het eerste en tweede lid, en voor de organisatie van de beroepsstage, met name betreffende de rol van de supervisor van de beroepsstage. Daarbij kunnen regels worden gesteld om de duur van het deel van de beroepsstage die in een andere betrokken staat of een derde land mag worden gevolgd, tot een redelijke periode te beperken. Artikel 33, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4.
Het beschouwen als vereiste beroepsstage en het rekening houden met een beroepsstage, bedoeld in het eerste respectievelijk tweede lid, vervangt niet een voor de toelating tot het desbetreffende beroep verplicht af te leggen examen.
1.
Onze minister die het aangaat geeft bij ministeriële regeling per gereglementeerd beroep nadere regels ten aanzien van de aanvraag tot het verkrijgen van erkenning, de aanpassingsstage en de proeve van bekwaamheid. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op de documenten die bij de aanvraag moeten worden gevoegd alsmede op de beoordeling van de aanpassingsstage en de proeve van bekwaamheid.
2.
Onze minister die het aangaat geeft bij ministeriële regeling per gereglementeerd beroep nadere regels ten aanzien van de verklaring en de documenten, bedoeld in artikel 23, de controle in verband met volksgezondheid of openbare veiligheid, bedoeld in artikel 27, en het verstrekken van gegevens voor afnemers van de dienst, bedoeld in artikel 29.
3.
Onze minister die het aangaat kan regels vaststellen voor het ten laste van de aanvrager brengen van kosten die samenhangen met diens aanvraag, zoals het in behandeling nemen van de aanvraag, de afgifte van besluiten en het organiseren van een proeve van bekwaamheid en van een aanpassingsstage. De kosten die ten laste van de aanvrager worden gebracht zijn redelijk, evenredig en in verhouding tot de gemaakte kosten, overschrijden de gemaakte kosten niet, en ontmoedigen het doen van een aanvraag niet.
4.
In geval onder Onze minister die het aangaat wordt verstaan het orgaan, bedoeld in artikel 14, tweede lid, onder e, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, worden de nadere regels, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, gesteld bij regeling van het orgaan, bedoeld in artikel 14, tweede lid, onder d, van die wet.
1.
Onze minister die het aangaat verstrekt aan een bevoegde autoriteit van een andere betrokken staat dan Nederland op diens verzoek en mits het verzoek deugdelijk is gemotiveerd, informatie over tuchtrechtelijke maatregelen, strafrechtelijke sancties of andere specifieke ernstige feiten ten aanzien van een migrerende beroepsbeoefenaar, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de toegang tot of uitoefening van een gereglementeerd beroep in het kader van de richtlijn.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt, voor zover het strafrechtelijke sancties betreft, een verklaring omtrent het gedrag aangemerkt als informatie omtrent strafrechtelijke sancties.
3.
In afwijking van artikel 33 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens wordt een aanvraag tot het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag ten aanzien van een migrerende beroepsbeoefenaar ingediend door een bevoegde autoriteit van een andere betrokken staat dan Nederland.
4.
Een aanvraag als bedoeld in het derde lid wordt, in afwijking van artikel 30, eerste lid, eerste volzin, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens ingediend bij Onze minister van Veiligheid en Justitie.
5.
Onze minister die het aangaat kan bij een bevoegde autoriteit van een andere betrokken staat dan Nederland informatie opvragen over tuchtrechtelijke maatregelen, strafrechtelijke sancties of andere ernstige feiten ten aanzien van migrerende beroepsbeoefenaars, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de toegang tot of uitoefening van een gereglementeerd beroep in het kader van deze wet en mits het verzoek om informatie deugdelijk is gemotiveerd.
6.
Onze minister die het aangaat verstrekt de informatie, bedoeld in het eerste en tweede lid, via het IMI.
1.
Voor de toepassing van de artikelen 32, eerste lid, 34, 35 en 36 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens wordt als aanvrager aangemerkt de migrerende beroepsbeoefenaar ten aanzien van wie de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd.
2.
Onze minister van Veiligheid en Justitie stelt de migrerende beroepsbeoefenaar ten aanzien van wie de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd in kennis van de aanvraag, bedoeld in artikel 34, derde lid, en vraagt zijn instemming met het in behandeling nemen van de aanvraag.
3.
Indien de migrerende beroepsbeoefenaar geen instemming verleent, bericht Onze minister van Veiligheid en Justitie dit aan de bevoegde autoriteit van een andere betrokken staat dan Nederland die de verklaring omtrent het gedrag heeft aangevraagd.
4.
Voor het in behandeling nemen van de aanvraag tot afgifte van een verklaring omtrent het gedrag kan Onze minister van Veiligheid en Justitie van de aanvrager, bedoeld in het eerste lid, een vergoeding van kosten verlangen. Artikel 39, tweede en vierde lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens is van overeenkomstige toepassing.
1.
Onze minister van Veiligheid en Justitie informeert de migrerende beroepsbeoefenaar ten aanzien van wie de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd indien hij voornemens is de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag te weigeren.
2.
Onze minister van Veiligheid en Justitie verstrekt de verklaring omtrent het gedrag dan wel de weigering tot afgifte daarvan aan de migrerende beroepsbeoefenaar, bedoeld in het eerste lid.
3.
Onze minister van Veiligheid en Justitie stelt de bevoegde autoriteit van een andere betrokken staat dan Nederland zo spoedig mogelijk op de hoogte van de afgifte dan wel weigering van de verklaring omtrent het gedrag. Bij de kennisgeving over de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag wordt de strekking van de afgegeven verklaring omtrent het gedrag medegedeeld.
4.
Indien de weigering van de verklaring omtrent het gedrag nog niet onherroepelijk is, informeert Onze minister van Veiligheid en Justitie de bevoegde autoriteit van een andere betrokken staat dan Nederland daarover.
1.
De procedures in het kader van erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in hoofdstuk 2, tijdelijke en incidentele dienstverrichting als bedoeld in hoofdstuk 3 en de Europese beroepskaart als bedoeld in hoofdstuk 3a, zijn beschikbaar langs elektronische weg, via het centraal loket als bedoeld in artikel 5 van de Dienstenwet, of via Onze minister die het aangaat.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op het uitvoeren van een aanpassingsstage als bedoeld in artikel 11, eerste lid, of een proeve van bekwaamheid als bedoeld in artikel 11, eerste lid of artikel 27, derde lid.
Artikel 34d. Assistentiecentrum
Onze minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap wijst een assistentiecentrum aan als bedoeld in artikel 57 ter van de richtlijn en kan daarbij de taken en bevoegdheden van het assistentiecentrum nader bepalen, waaronder taken en bevoegdheden inzake de verwerking van persoonsgegevens, waarbij de artikelen 34, eerste tot en met vierde lid en zesde lid, 34a en 34b van overeenkomstige toepassing kunnen worden verklaard.
Artikel 35. Registratie
Onze minister die het aangaat draagt zorg voor registratie van:
a. de wijze van afhandeling van de aanvragen op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen, en van de controles, bedoeld in artikel 27; en
b. het aantal en de soorten besluiten die op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden genomen, met inbegrip van de soorten besluiten over gedeeltelijke toegang die overeenkomstig artikel 12 zijn genomen.
Artikel 36. Delegatie
Onze minister die het aangaat kan de taken en bevoegdheden die hij heeft op grond van deze wet delegeren, met uitzondering van de bevoegdheid tot het stellen van nadere regels bij ministeriële regeling.
Artikel 37
[Wijzigt de Advocatenwet.]
Artikel 38
[Wijzigt de Gerechtsdeurwaarderswet.]
Artikel 39
[Wijzigt de Wet beëdigde tolken en vertalers.]
Artikel 40
[Wijzigt de Wet op het notarisambt.]
Artikel 41
[Wijzigt de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.]
Artikel 42
[Wijzigt de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen.]
Artikel 42a
[Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs.]
Artikel 43
[Wijzigt de Wet op de expertisecentra.]
Artikel 44
[Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.]
Artikel 45
[Wijzigt de Wet op het primair onderwijs.]
Artikel 46
[Wijzigt de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank.]
Artikel 47
[Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs.]
Artikel 48
[Wijzigt de Loodsenwet.]
Artikel 49
[Wijzigt de Wet luchtvaart.]
Artikel 50
[Wijzigt de Spoorwegwet.]
Artikel 51
[Wijzigt de Zeevaartbemanningswet.]
Artikel 52
[Wijzigt de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.]
Artikel 53
[Wijzigt de Kadasterwet.]
1.
Een EG-verklaring die is afgegeven op grond van de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma’s of de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen geldt als een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 6 van deze wet.
2.
Een toelating tot een gereglementeerd beroep op grond van artikel 7, tweede en derde lid, van de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen geldt als een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 6 van deze wet.
3.
Een op de datum van inwerkingtreding van deze wet aanhangige aanvraag tot het verkrijgen van een EG-verklaring als bedoeld in artikel 8 van de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma’s of artikel 10 van de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen geldt als een aanvraag tot het verlenen van erkenning van beroepskwalificaties overeenkomstig hoofdstuk 2 van deze wet dan wel, ingeval de aanvraag ziet op tijdelijke en incidentele dienstverrichting, als een verklaring van een dienstverrichter als bedoeld in artikel 23 van deze wet.
4.
Een op de datum van inwerkingtreding van deze wet aanhangig of tijdig in te dienen bezwaarschrift tegen een beslissing op grond van de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma’s of de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen wordt overeenkomstig deze wet afgehandeld.
5.
Op een op de datum van inwerkingtreding van deze wet ingesteld of tijdig in te stellen beroep tegen een beslissing op grond van de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma’s of de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen blijft het recht zoals het gold voor die datum van toepassing, met dien verstande dat het beroep wordt geacht te zijn gericht tegen een beslissing van Onze minister die het aangaat.
Artikel 55. Intrekking Algemene wetten
De Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma’s en de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen worden ingetrokken.
Artikel 56. Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat artikel 42 terugwerkt tot en met 1 januari 2007.
Artikel 57. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 6 december 2007
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ,
Uitgegeven de twintigste december 2007
De Minister van Justitie ,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Erkenning van beroepskwalificaties
+ Hoofdstuk 3. Tijdelijke en incidentele dienstverrichting
+ Hoofdstuk 3a. Europese beroepskaart
+ Hoofdstuk 3b. Gemeenschappelijke opleidingsbeginselen
+ Hoofdstuk 4. Overige bepalingen
+ Hoofdstuk 5. Wijziging andere wetten
+ Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken