Wet van 20 december 1956, houdende verhoging van militaire pensioenen met een algemene toeslag
Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de beperking van overheidspensioenen bij gelijktijdige aanspraak op een pensioenwet krachtens de Algemene Ouderdomswet ( Stb. 1956, 281) het wenselijk maakt de militaire pensioenen verder aan te passen aan het geldend bezoldigingspeil;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
1.
Deze wet verstaat onder pensioen: het nominale bedrag, zoals dit laatstelijk is of wordt vastgesteld, van een pensioen ten laste van het Rijk of van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, toegekend krachtens of op de voet van de Pensioenwet voor de zeemacht 1922 ( Stb. 65), de Pensioenwet voor de landmacht 1922 ( Stb. 66), de Pensioenwet voor het personeel der Koninklijke marine-reserve 1923 ( Stb 355), de Pensioenwet voor het reserve-personeel der landmacht 1923 ( Stb. 356) - met uitzondering van een pensioen toegekend krachtens de artikelen 20 van genoemde wetten -, de Pensioenwet voor de vrijwilligers bij de landstorm 1925 ( Stb. 278), onderscheidenlijk krachtens of op de voet van de Militaire Weduwenwet 1922 ( Stb. 337), dan wel een der aan genoemde wetten voorafgaande regelingen of wetten betreffende pensioenaanspraken, welke daarna in eerstbedoelde wetten zijn geregeld of geacht worden te zijn geregeld.
2.
Deze wet begrijpt mede onder pensioen: de wettelijke verhogingen en aanvullingen, met uitzondering van:
a. de toeslagen en de extra bijslag verleend krachtens:
1. de wet van 1 november 1948 ( Stb. I 479),
2. de wet van 5 november 1948 ( Stb. I 498),
3. de wet van 9 november 1950 ( Stb. K 502);
4. de Toeslagwet-1954 voor gepensioneerden ( Stb. 1954, 188),
5. de Aanpassingstoeslagwet voor gepensioneerden ( Stb. 1954, 377),
6. de Nadere Toeslagwet-1954 voor gepensioneerde militairen ( Stb. 1956, 342);
b. de pensioensverhogingen, gegrond op de artikelen 22 van de Pensioenwet voor de zeemacht 1922 en de Pensioenwet voor de landmacht 1922 of op de artikelen 25 en 28 van de Militaire Weduwenwet 1922.
1.
Voor zover het recht op pensioen op het tijdstip van het in werking treden van deze wet niet is vervallen, worden de pensioenen met ingang van dat tijdstip of van het later tijdstip, waarop zij zullen ingaan, met inachtneming van de volgende bepalingen, ambtshalve verhoogd met een toeslag, verder te noemen algemene toeslag.
2.
Op het tijdstip, met ingang waarvan een pensioen is verhoogd met een algemene toeslag of met een overgangstoeslag, als bedoeld in artikel 15, vervallen de toeslagen en de extra bijslag, welke, krachtens de in artikel 1, tweede lid, onder a genoemde wetten, op een pensioen zijn verleend.
1.
De algemene toeslag wordt uitgedrukt in een percentage van het pensioen, verder te noemen verhogingspercentage.
2.
De berekening van het verhogingspercentage geschiedt met behulp van grondgetallen. Elk grondgetal heeft betrekking op het daarbij in artikel 4 aangegeven tijdvak.
Artikel 4
Tijdvakken Grondgetallen
       
vóór 30 juni 1947   71,1
30 juni 1947 tot en met 31 december 1947 69,4
1 januari 1948  „ „ „  31 december 1948 62,9
1 januari 1949  „ „ „  31 december 1949 56,9
1 januari 1950  „ „ „  31 december 1950 46,2
1 januari 1951  „ „ „  31 december 1951 35,7
1 januari 1952  „ „ „  31 december 1952 32,6
1 januari 1953  „ „ „  31 december 1953 29,6
1 januari 1954  „ „ „  31 december 1954 17,9
1 januari 1955  „ „ „  31 december 1955 9,6
1 januari 1956  „ „ „  31 december 1956 4,8
1 januari 1957   0
1.
Voor de berekening van het verhogingspercentage voor pensioenen, welke krachtens of op de voet van een der wetten, genaamd in artikel 1, eerste lid, aan militairen der zeemacht en aan nabestaanden man militairen of gepensioneerde militairen der zeemacht zijn of worden toegekend - met uitzondering van die, genoemd in het derde lid - hebben de in onderstaande kolommen vermelde grondgetallen betrekking op de daarnaast vermelde tijdvakken en de daarboven vermelde rangen en stand of de door Ons of door Onze Minister van Marine daarmede gelijkgestelde rangen en stand:
2.
Voor de berekening van het verhogingspercentage voor pensioenen, welke krachtens of op de voet van een der wetten, genoemd in artikel 1, eerste lid, aan militairen der Koninklijke landmacht of luchtmacht en aan nabestaanden van militairen of gepensioneerde militairen der Koninklijke landmacht of luchtmacht zijn of worden toegekend - met uitzondering van die, genoemd in het derde lid - hebben de in onderstaande kolommen vermelde grondgetallen betrekking op de daarnaast vermelde tijdvakken en de daarboven vermelde rangen en stand en klassen of de door Ons of door Onze Minister van Oorlog daarmede gelijkgestelde rangen en stand der klassen:
3.
Voor de berekening van het verhogingspercentage voor:
1°. pensioenen, welke zijn of worden toegekend met gebruikmaking van een pensioensgrondslag, berekend met inachtneming van het bepaalde bij:
a. het vierde lid van de artikelen 13 der Pensioenwetten zee- en landmacht 1922 ,
b. het derde lid van de artikelen 14 der Pensioenwetten voor het personeel der Koninklijke marine-reserve en het reserve-personeel der landmacht 1923 ,
c. punt b van artikel 5 der Wet buitengewoon militair pensioen 1914-1918 ( Stb. 1948, I 496),
2°. pensioenen, welke zijn of worden toegekend krachtens het bepaalde in de artikelen 37, eerste lid onder 4°, 5° en 6° der Pensioenwetten zee- en landmacht 1922 en de artikelen 30, eerste lid onder 4°, 5° en 6° der Pensioenwetten voor het personeel der Koninklijke marine-reserve en het reserve-personeel der landmacht 1923 ,
hebben de in onderstaande kolommen vermelde grondgetallen betrekking op de daarnaast vermelde tijdvakken:
1.
Indien de periode, welke bepalend is voor de pensioensgrondslag, waarnaar het pensioen is berekend, geheel valt binnen een der in artikel 4 bedoelde tijdvakken en rangen of stand en klassen, dan wel samenvalt met een zodanig tijdvak, is het verhogingspercentage gelijk aan het grondgetal, dat betrekking heeft op bedoeld tijdvak en bedoelde rang of stand of klasse.
2.
Indien de in het vorige lid bedoelde periode meer dan één tijdvak of rang of stand en klasse, als bedoeld in artikel 4, of gedeelte van een zodanig tijdvak omvat, is het verhogingspercentage gelijk aan de, over dezelfde periode en op overeenkomstige wijze als de pensioensgrondslag berekende, middelsom van de op die tijdvakken of gedeelten van tijdvakken dan wel op die rangen of stand en klassen betrekking hebbende grondgetallen.
3.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt de daar bedoelde periode geacht zodanig te zijn verschoven, dat:
a. voor zover de laatste dag daarvan valt op de eerste tot en met de vijftiende dag van een maand, het einde daarvan geacht wordt samen te vallen met de laatste dag van de voorafgaande maand;
b. voor zover de laatste dag daarvan valt op de zestiende tot en met op één na de laatste dag van een maand, het einde daarvan geacht wordt samen te vallen met de laatste dag van de maand.
4.
De verhogingspercentages, welke geen geheel getal bedragen, worden op het naastliggende gehele getal afgerond, met dien verstande, dat ½ naar boven wordt afgerond.
1.
Het verhogingspercentage voor pensioenen, welke krachtens de wet van 28 augustus 1851 ( Stb. 127), de Pensioenwet voor de zeemacht 1902 of de wet van 12 juli 1895 ( Stb. 104) zijn toegekend, bedraagt 481.
2.
Het verhogingspercentage voor pensioenen, welke krachtens de wet van 28 augustus 1851 ( Stb. 129), de Pensioenwet voor de landmacht 1902 of de Wet voor het reserve-personeel der landmacht 1905 zijn toegekend, bedraagt 469.
3.
Het verhogingspercentage voor pensioenen, welke krachtens de Weduwenwet voor de zeemacht 1909 of het reglement voor het weduwen- en wezenfonds der militaire officieren bij de zeemacht zijn toegekend, bedraagt 481.
4.
Het verhogingspercentage voor pensioenen, welke krachtens de Weduwenwet voor de landmacht 1909 of de statuten der weduwen- of wezenkas voor de officieren van de landmacht zijn toegekend, bedraagt 469.
5.
Door toepassing van het bepaalde in de vorige leden mag het totaal van het pensioen en de algemene toeslag niet leiden tot een hoger bedrag dan waarop de militair dan wel de weduwe van een militair of van een gepensioneerd militair aanspraak zou hebben gehad, indien het pensioen zou zijn berekend met toepassing van de Pensioenwet voor de zeemacht of voor de landmacht 1922 , de Pensioenwet voor het personeel der Koninklijke marine-reserve of voor het reserve-personeel der landmacht 1923 of de Militaire Weduwenwet 1922, zoals die wetten luiden op het tijdstip van het in werking treden van deze wet, alsmede met toepassing van de op die berekening betrekking hebbende overgangsbepaling. Bij de berekening van laatstbedoeld pensioen wordt uitgegaan van een pensioensgrondslag, afgeleid uit de op 1 januari 1957 van kracht zijnde militaire bezoldigingsregeling, daarbij rekening houdende met dezelfde rang of stand en klasse en de voor betrokkene in aanmerking komende diensttijd voor bezoldiging. Indien het totaal van het pensioen en de algemene toeslag, bedoeld in de aanhef van de eerste volzin, het pensioen, bedoeld in de tweede volzin, overschrijdt, wordt de algemene toeslag zoveel verminderd als nodig is om die overschrijding te voorkomen.
6.
Het verhogingspercentage voor pensioenen, welke zijn berekend naar een minimum pensioensgrondslag van onderscheidenlijk f 700, f 1500 en f 2850 bedraagt onderscheidenlijk 376, 122 en 17.
1.
Indien toepassing van deze wet tot gevolg zou hebben, dat het pensioen, zonder de verhoging, bedoeld in de artikelen 19 der Pensioenwetten voor de zee- en landmacht 1922 en der Pensioenwetten voor het personeel der Koninklijke marine-reserve en het reserve-personeel der landmacht 1923 , vermeerderd met de bij dat pensioen behorende algemene toeslag, zou overschrijden het pensioensbedrag, dat bereikbaar is bij verhoging van de pensioensgrondslag met het verhogingspercentage van het pensioen en met inachtneming van de gunstigste pensioenberekening, wordt de algemene toeslag zoveel verminderd als nodig is om die overschrijding te voorkomen.
2.
Indien het totaal van het pensioen, bedoeld in het eerste lid, van de daarbij behorende algemene toeslag, eventueel overeenkomstig dat lid verminderd, van de verhoging krachtens de in dat lid genoemde artikelen 19 en van het bij die verhoging behorende deel van de algemene toeslag, zou overschrijden de in de militaire pensioenwetgeving geldende algemene maxima, wordt het bij bedoelde verhoging behorende deel van de algemene toeslag zoveel verminderd als nodig is om die overschrijding te voorkomen.
3.
Door de verminderingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, mag het totaal van het pensioen en de algemene toeslag niet dalen beneden het in artikel 15, eerste lid, bedoelde totaal van pensioen, toeslagen en extra bijslag, waarop op de dag voorafgaande aan het tijdstip van het in werking treden van deze wet aanspraak bestond.
Artikel 8
De algemene toeslag wordt naar boven afgerond tot volle guldens.
Artikel 9
Pensioen en algemene toeslag worden als een eenheid beschouwd, waarop de op het betreffende pensioen betrekking hebbende wettelijke bepalingen van overeenkomstige toepassing zijn.
1.
De algemene toeslag wordt slechts genoten over tijdvakken, waarover het pensioen wordt genoten.
2.
Behoudens het bepaalde in het derde lid geschiedt de toekenning van de algemene toeslag door het orgaan, dat met de toekenning van het pensioen is belast.
3.
De toekenning van de algemene toeslag op de op het tijdstip van het in werking treden van deze wet ten laste van Hoofdstuk VIII A of VIII B der Rijksbegroting verleende pensioenen geschiedt onderscheidenlijk door Onze Minister van Oorlog en van Marine.
4.
De uitbetaling van de algemene toeslag geschiedt door het orgaan, dat met de uitbetaling van het pensioen is belast.
1.
De kosten van de algemene toeslag op de pensioenen ten laste van het Rijk komen ten laste van Hoofdstuk VIII A of VIII B der Rijksbegroting, naar gelang de betrokken militair behoord heeft tot de Koninklijke land- of luchtmacht of de zeemacht.
2.
De kosten van de algemene toeslag op de pensioenen ten laste van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds komen ten laste van Hoofdstuk V der Rijksbegroting.
Artikel 12
De Algemene Rekenkamer toetst bij haar onderzoek naar de juistheid der betaalde bedragen aan algemene toeslag, deze uitsluitend aan de beslissingen krachtens deze wet genomen.
Artikel 13
De Raad van State gehoord, kunnen Wij deze wet of bepaalde artikelen daarvan van toepassing verklaren op andere pensioenen.
Artikel 14
De wetten, genoemd in artikel 1, tweede lid, onder a, vinden met ingang van het tijdstip van het in werking treden van deze wet geen toepassing meer op de pensioenen, in dier voege, dat op die pensioenen geen toeslagen en extra bijslag krachtens evenbedoelde wetten meer worden verleend.
1.
Zolang het totaal van het pensioen en de algemene toeslag lager is dan het totaal van het pensioen, de toeslagen en de extra bijslag, bedoeld in artikel 1, tweede lid, onder a, waarop aanspraak bestond op de dag voorafgaande aan het tijdstip van het in werking treden van deze wet, wordt boven de algemene toeslag een overgangstoeslag verleend ten bedrage van het verschil tussen de bedragen van de oude en nieuwe aanspraak.
2.
Zolang het totaal van het pensioen en de algemene toeslag, berekend met toepassing van het bepaalde in artikel 6, zesde lid, lager is dan het totaal van het pensioen, indien dit niet zou zijn herberekend naar een minimum pensioensgrondslag van f 2850,-, en de daarbij behorende algemene toeslag, wordt boven de algemene toeslag een overgangstoeslag verleend ten bedrage van het verschil tussen bovenbedoelde totalen.
3.
De artikelen 8 tot en met 12 zijn op de overgangstoeslag van overeenkomstig toepassing.
Artikel 16
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 17
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 18
Deze wet kan worden aangehaald onder de titel: Algemene toeslagwet voor gepensioneerde militairen 1956.
Artikel 19
Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 20 december 1956
De Minister voor Defensie,
De Minister van Binnenlandse Zaken, Bezitsvorming en Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie,
Uitgegeven de eenentwintigste december 1956.
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 11
Artikel 12
Artikel 13
Artikel 14
Artikel 15
Artikel 16
Artikel 17
Artikel 18
Artikel 19
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht