1.
De bruto-vakantie-uitkering over de nabestaandenuitkering, bedoeld in artikel 17, eerste lid, wordt zodanig vastgesteld, dat de netto-vakantie-uitkering over de nabestaandenuitkering gelijk is aan 70% van de netto-minimum-vakantiebijslag per maand.
2.
De bruto-vakantie-uitkering over de nabestaandenuitkering, bedoeld in artikel 17, tweede lid, wordt zodanig vastgesteld, dat de netto-vakantie-uitkering over de nabestaandenuitkering gelijk is aan 90% van de netto-minimum-vakantiebijslag per maand.
3.
De bruto-vakantie-uitkering over de wezenuitkering bedraagt een bepaald percentage van bruto-bedragen vastgesteld op grond van het eerste lid.
4.
Voor de vaststelling van het in het derde lid bedoelde percentage is artikel 29, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
+ Hoofdstuk 2. Kring van verzekerden
- Hoofdstuk 3. De uitkeringen
+ Hoofdstuk 4. De invloed van de verzekering op het burgerlijk recht
+ Hoofdstuk 5. De vrijwillige verzekering
+ Hoofdstuk 5a. Vrijwillige verzekering voor in de Europese Unie wonende postactieven
+ Hoofdstuk 6
+ Hoofdstuk 7. Bepalingen in verband met de Algemene wet bestuursrecht en het beroep in cassatie
+ Hoofdstuk 8. Overgangsbepalingen
+ Hoofdstuk 9. Strafbepalingen
+ Hoofdstuk 10. Wijziging van andere wetten
+ Hoofdstuk 11. Paraplubepaling voor de aanvullende pensioenen
+ Hoofdstuk 12. Slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht