1.
Degene die een nabestaandenuitkering ontvangt, heeft tevens recht op een tegemoetkoming.
2.
Degene die een wezenuitkering ontvangt, heeft tevens recht op een tegemoetkoming.
3.
De tegemoetkoming, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, wordt niet beschouwd als een nabestaandenuitkering of wezenuitkering op grond van deze wet, behoudens voor de toepassing van afdeling II van hoofdstuk 3.
4.
Artikel 2, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
5.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de hoogte, de indexering en de wijze van betaling van de tegemoetkoming.
6.
De tegemoetkoming bedraagt indien de nabestaande, de halfwees ten behoeve van wie de tegemoetkoming wordt ontvangen of de wees woont buiten Nederland, een van de andere lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en Zwitserland, een bij ministeriële regeling vastgesteld percentage van het op grond van het eerste tot en met vijfde lid vastgestelde bedrag. Het percentage wordt zo bepaald dat het een weergave is van de verhouding tussen het kostenniveau van het land waar de nabestaande, de halfwees of wees woonachtig is en dat van Nederland. Het percentage bedraagt maximaal 100.
7.
De tegemoetkoming is niet vatbaar voor beslag.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
+ Hoofdstuk 2. Kring van verzekerden
- Hoofdstuk 3. De uitkeringen
+ Hoofdstuk 4. De invloed van de verzekering op het burgerlijk recht
+ Hoofdstuk 5. De vrijwillige verzekering
+ Hoofdstuk 5a. Vrijwillige verzekering voor in de Europese Unie wonende postactieven
+ Hoofdstuk 6
+ Hoofdstuk 7. Bepalingen in verband met de Algemene wet bestuursrecht en het beroep in cassatie
+ Hoofdstuk 8. Overgangsbepalingen
+ Hoofdstuk 9. Strafbepalingen
+ Hoofdstuk 10. Wijziging van andere wetten
+ Hoofdstuk 11. Paraplubepaling voor de aanvullende pensioenen
+ Hoofdstuk 12. Slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht