1.
De bruto-wezenuitkering is gelijk aan een percentage van het bruto-bedrag behorend bij de nabestaandenuitkering bedoeld in artikel 17, eerste lid.
2.
Het in het eerste lid bedoelde percentage bedraagt voor een kind dat op de eerste dag van een kalendermaand
a. jonger is dan 10 jaar: 32,
b. 10 jaar of ouder doch jonger dan 16 jaar is: 48, en
c. 16 jaar of ouder doch jonger dan 21 jaar is: 64.
3.
De bruto-wezenuitkering bedraagt voor een kind dat woont buiten Nederland, een van de andere lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en Zwitserland, een bij ministeriële regeling vastgesteld percentage van het op grond van het eerste en tweede lid vastgestelde bedrag. Het percentage wordt zo bepaald dat het een weergave is van de verhouding tussen het kostenniveau van het land waar het kind woonachtig is en dat van Nederland. Het percentage bedraagt maximaal 100.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
+ Hoofdstuk 2. Kring van verzekerden
- Hoofdstuk 3. De uitkeringen
+ Hoofdstuk 4. De invloed van de verzekering op het burgerlijk recht
+ Hoofdstuk 5. De vrijwillige verzekering
+ Hoofdstuk 5a. Vrijwillige verzekering voor in de Europese Unie wonende postactieven
+ Hoofdstuk 6
+ Hoofdstuk 7. Bepalingen in verband met de Algemene wet bestuursrecht en het beroep in cassatie
+ Hoofdstuk 8. Overgangsbepalingen
+ Hoofdstuk 9. Strafbepalingen
+ Hoofdstuk 10. Wijziging van andere wetten
+ Hoofdstuk 11. Paraplubepaling voor de aanvullende pensioenen
+ Hoofdstuk 12. Slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht