1.
Indien voor goederen in tijdelijke opslag waarvoor een summiere aangifte is gedaan de formaliteiten welke nodig zijn om deze goederen een douanebestemming te geven niet worden vervuld binnen de ingevolge artikel 49 van het Communautair douanewetboek geldende termijn, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur degene die de formaliteiten binnen deze termijn dient te vervullen en degene door wiens toedoen de formaliteiten niet binnen deze termijn worden vervuld ieder een bestuurlijke boete van ten hoogste € 321 kan opleggen.
2.
Indien het niet vervullen van de in het eerste lid bedoelde formaliteiten binnen de ingevolge artikel 49 van het Communautair douanewetboek geldende termijn, een douaneschuld doet ontstaan en het daaruit voortvloeiende bedrag aan rechten bij invoer hoger is dan € 321, terwijl het niet vervullen van die formaliteiten binnen die termijn is te wijten aan opzet of grove schuld van één of meer van degenen, bedoeld in het eerste lid, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem, onderscheidenlijk ieder van hen, een bestuurlijke boete van ten hoogste 100 percent van het bedrag aan rechten kan opleggen.
1.
Indien voor goederen welke zijn geplaatst onder de douaneregeling douanevervoer, actieve veredeling (systeem inzake schorsing), behandeling onder douanetoezicht of tijdelijke invoer, de formaliteiten ter beëindiging van die regeling in strijd met de douanewetgeving niet of niet tijdig worden vervuld, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur degene die die formaliteiten dient te vervullen en degene door wiens toedoen die formaliteiten niet of niet tijdig worden vervuld ieder een bestuurlijke boete van ten hoogste € 321 kan opleggen.
2.
Indien goederen welke zijn geplaatst onder de douaneregeling douanevervoer in strijd met artikel 355, tweede lid, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek niet langs een verplicht te volgen route worden vervoerd, dan wel in strijd met artikel 356 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek niet binnen de voorgeschreven termijn bij het douanekantoor van bestemming worden aangebracht, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur degene die de goederen in strijd met artikel 355, tweede lid, voornoemd vervoert, onderscheidenlijk in strijd met artikel 356 voornoemd niet tijdig aanbrengt, en degene door wiens toedoen het desbetreffende verzuim plaatsvindt, ieder een bestuurlijke boete van ten hoogste € 321 kan opleggen.
3.
Indien het in strijd met de douanewetgeving niet of niet tijdig vervullen van de in het eerste lid bedoelde formaliteiten of het in strijd met de douanewetgeving niet vervullen van de in het tweede lid bedoelde verplichtingen een douaneschuld doet ontstaan en het daaruit voortvloeiende bedrag aan rechten bij invoer hoger is dan € 321, terwijl het in strijd met de douanewetgeving niet of niet tijdig vervullen van die formaliteiten, onderscheidenlijk niet vervullen van die verplichtingen, is te wijten aan opzet of grove schuld van één of meer van degenen, bedoeld in het eerste dan wel tweede lid, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem, onderscheidenlijk ieder van hen, een bestuurlijke boete van ten hoogste 100 percent van het bedrag aan rechten kan opleggen.
1.
Indien in een douane-entrepot, in een vrij entrepot of in een vrije zone welke is aangewezen ingevolge artikel 168bis van het Communautair douanewetboek een vermis wordt bevonden, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur de entreposeur, de entrepositaris, onderscheidenlijk de belanghebbende, bedoeld in artikel 799, onderdeel c, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek, een bestuurlijke boete van ten hoogste € 321 kan opleggen.
2.
Indien het in het eerste lid bedoelde vermis een douaneschuld doet ontstaan en het daaruit voortvloeiende bedrag aan rechten bij invoer hoger is dan € 321, terwijl dat vermis is te wijten aan opzet of grove schuld van de entreposeur, de entrepositaris, onderscheidenlijk de belanghebbende, bedoeld in artikel 799, onderdeel c, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke boete van ten hoogste 100 percent van het bedrag aan rechten kan opleggen.
1.
Het niet voldoen aan een verplichting voortvloeiend uit een vergunning welke is verleend ingevolge de douanewetgeving, vormt een verzuim ter zake waarvan de inspecteur degene die deze voorwaarde dient na te leven en degene door wiens toedoen die voorwaarde niet of niet tijdig wordt nageleefd een bestuurlijke boete van ten hoogste € 321 kan opleggen.
2.
Indien het in strijd met de douanewetgeving niet of niet tijdig vervullen van de in het eerste lid bedoelde voorwaarde een douaneschuld doet ontstaan en het daaruit voortvloeiende bedrag aan rechten bij invoer hoger is dan € 321, terwijl het in strijd met de douanewetgeving niet of niet tijdig vervullen van deze voorwaarde is te wijten aan opzet of grove schuld van één of meer van degenen, bedoeld in het eerste lid, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem, onderscheidenlijk ieder van hen, een bestuurlijke boete van ten hoogste 100 percent van het bedrag aan rechten kan opleggen.
Artikel 9:5
Het overtreden van een krachtens deze wet vastgestelde algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling kan bij die algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling worden aangemerkt als een verzuim ter zake waarvan de inspecteur degene aan wie het verzuim te wijten is een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste het in die algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling te vermelden bedrag. Dat bedrag beloopt ten hoogste € 321 indien het verzuim betrekking heeft op een algemene maatregel van bestuur, en beloopt ten hoogste € 160 indien het verzuim betrekking heeft op een ministeriële regeling.
Artikel 9:6
In afwijking van artikel 5:45, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in deze afdeling door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop het verzuim of vergrijp waarop de bestuurlijke boete betrekking heeft, heeft plaatsgevonden.
Artikel 9:6a
De in de artikelen 9:1, 9:2, 9:3, 9:4 en 9:5, genoemde bedragen worden elke vijf jaar, met ingang van 1 januari 2015, bij ministeriële regeling gewijzigd. De artikelen 10.1 en 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat als tabelcorrectiefactor wordt genomen het product van de factoren van de laatste vijf kalenderjaren.
Artikel 9:8
Indien de grondslag voor een bestuurlijke boete wordt gevormd door het bedrag aan rechten bij invoer, wordt de opgelegde bestuurlijke boete naar evenredigheid verlaagd bij vermindering, teruggaaf, terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer, voorzover deze vermindering, teruggaaf, terugbetaling of kwijtschelding, het bedrag aan rechten bij invoer betreft waarover de bestuurlijke boete is berekend.
Artikel 9:16
Van de opgelegde bestuurlijke boete kan door of vanwege Onze Minister van Financiën gehele of gedeeltelijke kwijtschelding worden verleend.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Bepalingen die op de in het douanegebied van de Unie binnengebrachte goederen van toepassing zijn tot deze een douanebestemming hebben gekregen
+ Hoofdstuk 3. Verboden en beperkingen
+ Hoofdstuk 4. Vrije zones en vrije entrepots
+ Hoofdstuk 5. Goederen die het douanegebied van de Unie verlaten
+ Hoofdstuk 6. De begunstigde verrichtingen
+ Hoofdstuk 7. Douaneschuld
+ Hoofdstuk 8. Beroep in een eerste fase (bezwaar) en beroep in een tweede fase (beroep)
- Hoofdstuk 9. Bestuurlijke boeten
+ Hoofdstuk 10. Strafrechtelijke bepalingen
+ Hoofdstuk 11. Algemene bepalingen van strafvordering
+ Hoofdstuk 12. Slotbepalingen
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht