Aanwijzing keuringsinstantie voor liften, ter uitvoering van artikel 5, eerste, tweede en vierde lid, Wet op de gevaarlijke werktuigen
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken,
Gelezen het verzoekschrift van 18 augustus 1994 van de stichting Nederlands Instituut voor Lifttechniek te Amsterdam, laatstelijk aangevuld met brief van 27 maart 1997;
Overwegende, dat een keuringsinstantie in ieder geval moet voldoen aan de minimumcriteria voor aanwijzing genoemd in bijlage VII van Richtlijn 95/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 juni 1995 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten betreffende liften (PbEG L 213);
Overwegende dat onderzoeksresultaten het vertrouwen rechtvaardigen dat de stichting Nederlands Instituut voor Lifttechniek, voor wat betreft de in artikel 2, eerste en tweede lid van deze beschikking genoemde taken, aan bijlage VII van voornoemde richtlijn voldoet;
Overwegende dat de stichting Nederlands Instituut voor Lifttechniek voor laboratorium- onderzoek aan veilig-heidscomponenten een overeenkomst heeft met de Canadian Standards Association te Etobicoke (Ontario-Canada);
Overwegende dat de stichting Nederlands Instituut voor Lifttechniek op 1 oktober 1956 is aangewezen als keuringsinstantie voor liften (Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken van 23 augustus 1956, afdeling Arbeidersbescherming, nr. 3112, ter uitvoering van de Wet op de gevaarlijke werktuigen (Stcrt. 168) en derhalve kan beschikken over een ruime ervaring met het keuren van liften;
Gelet op artikel 5, eerste, tweede en vierde lid van de Wet op de gevaarlijke werktuigen;
Besluit:
Artikel 1
In deze beschikking wordt verstaan onder:
a. besluit:
het Besluit liften ;
b. lift, veiligheidscomponenten, keuringsinstantie, richtlijn en wet:
hetgeen het besluit daaronder verstaat;
c. de Commissie:
de Commissie van de Europese Gemeenschappen;
d. regeling:
de regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Economische Zaken van 12 december 1996, nr. ARBO/APM/96/02732 ), Directie Arbeidsomstandigheden, houdende nadere regels ten aanzien van liften.
1.
De Liftinstituut B.V. (Liftinstituut), Buikslotermeerplein 381 te 1025 XE Amsterdam wordt aangewezen als keuringsinstantie, die met betrekking tot liften bevoegd is tot:
a. het verrichten van het EG-typeonderzoek overeenkomstig bijlage V, onder B, van de richtlijn;
b. het beoordelen van kwaliteitsborgingssystemen overeenkomstig de bijlagen XII, XIII of XIV van de richtlijn;
c. het controleren van het ontwerp, wanneer dit bij de kwaliteitssysteem-beoordeling overeenkomstig bijlage XIII van de richtlijn, niet geheel voldoet aan de geharmoniseerde normen, bedoeld in artikel 6, eerste lid van het besluit;
d. het uitvoeren van de eindcontrole en de eenheidskeuring overeenkomstig bijlage VI respectievelijk bijlage X van de richtlijn;
e. het afgeven van certificaten van EG-typeonderzoek, verklaringen van eindcontrole en certificaten van overeenstemming als bedoeld in artikel 2 van de regeling en certificaten van EG-ontwerponderzoek als bedoeld in bijlage XIII, onder 3.3 van de richtlijn.
2.
De Liftinstituut B.V. te Amsterdam wordt aangewezen als keuringsinstantie, die met betrekking tot veiligheidscomponenten bevoegd is tot:
a. het verrichten van het EG-typeonderzoek overeenkomstig bijlage V, onder A, van de richtlijn;
b. het uitvoeren van productiecontroles overeenkomstig bijlage XI van de richtlijn;
c. het beoordelen van kwaliteitsborgingssystemen overeenkomstig de bijlagen VIII of IX van de richtlijn;
d. het afgeven van certificaten van EG-typeonderzoek als bedoeld in artikel 2 van de regeling.
3.
De Liftinstituut B.V. te Amsterdam wordt aangewezen als keuringsinstantie, die bevoegd is tot het verrichten van keuringen aan liften en het afgeven van certificaten van goedkeuring overeenkomstig artikel 17 van het besluit.
4.
Deze aanwijzing kan worden ingetrokken, indien de keuringsinstantie niet aan de in artikel 3 gestelde voorwaarden voldoet of haar taken beëindigt. Het voornemen tot intrekking wordt tijdig kenbaar gemaakt.
1.
Voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, dient de keuringsinstantie aan de volgende voorwaarden te voldoen:
a. Bij de uitvoering van in artikel 2, eerste en tweede lid, beschreven taken neemt zij de wet, het besluit, en de regeling in acht. Daarbij voldoet zij tevens aan de voorschriften opgenomen in de bijlagen V, VI, VIII tot en met XIV van de richtlijn en blijft zij voldoen aan de minimumcriteria van bijlage VII van de richtlijn.
b. Zij zorgt ervoor dat anderen, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wet, die de in dat artikellid bedoelde beproevingen verrichten, daarbij de wet, het besluit, de regeling en de richtlijn in acht nemen.
De daarvoor noodzakelijke afspraken met die anderen legt zij schriftelijk vast. Zij houdt tevens een register bij, aan de hand waarvan bedoelde anderen en de door deze uit te voeren beproevingen per soort afdoende kunnen worden geïdentificeerd.
c. Indien een ter keuring aangeboden model voldoet aan de daarop betrekking hebbende bepalingen stelt zij een certificaat van EG-typeonderzoek op als bedoeld in bijlage V, onder A en B, van de richtlijn, dat ter kennis van de aanvrager wordt gebracht. Van de bevindingen en conclusies verkregen uit de bezoeken, beoordelingen, onderzoeken, proeven en controles in het kader van de overige activiteiten als bedoeld in artikel 2, eerste lid en tweede lid, stelt zij verslagen en verklaringen op. Deze brengt zij, tezamen met de op grond daarvan genomen beslissingen, ter kennis van de aanvrager. Indien zij een certificaat van EG-typeonderzoek intrekt, doet zij hiervan onmiddellijk mededeling aan de andere keuringsinstanties en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onder opgave van de redenen.
Tevens verstrekt zij de andere keurings-instanties terzake doende informatie over de afgifte en intrekking van goedkeuringen van kwaliteitsborgings-systemen als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder b en tweede lid onder c.
d. Zij deelt haar beslissingen zo spoedig mogelijk mede aan de aanvrager. Zij vermeldt daarbij de mogelijkheden van bezwaar en beroep alsmede de termijnen waarbinnen dat bezwaar of beroep moet worden ingesteld.
e. Zij bewaart op een systematische en behoorlijke wijze de keuringsrapporten, dossiers, verslagen, certificaten en verklaringen en overige gegevens, die samenhangen met en betrekking hebben op de vervulling van de aan haar opgedragen taken. Aan de hand van deze gegevens dienen de gekeurde liften en veiligheidscomponenten afdoende te kunnen worden geïdentificeerd.
f. Zij blijft haar zetel in Nederland behouden.
g. Zij doet jaarlijks blijken van het afsluiten van een, gezien de taken welke uit deze beschikking kunnen voortvloeien, voldoende verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid.
h. Zij verstrekt het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid desgevraagd inlichtingen omtrent de uitvoering van deze beschikking. Tevens verstrekt zij genoemd ministerie elk jaar een schriftelijke rapportage over de werkzaamheden, die zij in het voorafgaande jaar ter uitvoering van deze beschikking heeft verricht. Deze rapportage voldoet tenminste aan het bepaalde in de bij deze beschikking gevoegde bijlage .
i. Zij verleent de ambtenaren van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, die met het toezicht zijn belast, toegang tot alle plaatsen waarvan de betreding voor de vervulling van hun taak nodig is en verschaft hen op hun verzoek alle voor dit toezicht van belang zijnde informatie.
j. Zij informeert het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onmiddellijk indien de op haar naam gestelde erkenningen van de Raad voor Accreditatie nrs. 67A95 en 67D95 hun geldigheid verliezen of dreigen te verliezen voor zover de erkenning werkzaamheden betreft als bedoeld in artikel 2 van deze beschikking. Tevens stelt zij genoemd Ministerie terstond in het bezit van de beoordelingsrapportages van de stichting Raad voor Accreditatie betreffende voornoemde erkenningen, alsmede van de daaromtrent gevoerde correspondentie.
k. Zij laat haar erkenningen van de Raad voor Accreditatie nrs. 67A95 en 67D95 beoordelen aan de hand van een richtlijn-specifiek accreditatie-schema betreffende richtlijn 95/16/EG, zodra dit schema is vastgesteld. Binnen 1 maand na vaststelling van het schema dient zij een aanvraag tot beoordeling bij de Raad voor Accreditatie in, onder gelijk-tijdige verzending van een afschrift van de aanvraag aan het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
l. Zij overlegt met andere keurings-instanties over een juiste en zo veel mogelijk uniforme toepassing van procedures, richtlijnvoorschriften en normen.
m. Indien zij van plan is werkzaamheden, waarvoor zij is aangewezen te beëindigen, deelt zij dit tenminste drie maanden vóór de voorgenomen datum van beëindiging van die werk-zaamheden mede aan het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
De in voorwaarde e genoemde gegevens draagt zij, voor zover deze betrekking hebben op de te beëindigen werkzaamheden, over aan-
hetzij het ministerie voornoemd,-
hetzij, na hiervoor instemming te hebben gekregen van het ministerie voornoemd, een andere keuringsinstantie, die werkzaamheden uitvoert als bedoeld in artikel 2, eerste lid en tweede lid.
n. Zij verstrekt op een met redenen omkleed verzoek afschriften van dossiers en andere benodigde informatie aan een andere keuringsinstantie, voor zover dit in verband met een goede uitvoering van de keuringen, als bedoeld in artikel 17 van het besluit, noodzakelijk is.
2.
Voor de keuringen, bedoeld in artikel 2, derde lid, dient de keuringsinstantie aan de volgende voorwaarden te voldoen;
a. De voorwaarden genoemd van artikel 3, eerste lid, met uitzondering van de onderdelen a tot en met c.
b. Een lift, welke ter keuring wordt aangeboden, wordt in overeenstemming met artikel 17 van het besluit tijdig gekeurd.
c. Bij de keuring vóór ingebruikneming van een lift wordt zo veel mogelijk rekening gehouden met de overeenstemmingsbeoordelingsprocedures die, overeenkomstig de artikelen 8 en 9 van het besluit, met betrekking tot de desbetreffende lift zijn uitgevoerd. De keuring vóór ingebruikneming bestaat uit een controle op de volledigheid van de documenten betreffende de vervaardiging, een controle van de resultaten van verrichte beproevingen, een controle van de goede werking van de lift, en een controle of is voldaan aan de hoofdstukken 3 en 7 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Staatsblad 1997 60) voor wat betreft de arbeidsomstandigheden bij montage, onderhoud of inspectie van de lift.
d. Bij de keuringen, die overeenkomstig artikel 17 van het besluit na ingebruikneming plaatsvinden, wordt gecontroleerd of nog voldaan is aan de vervaardigingsvoorschriften van artikel 5 van het besluit en wordt beoordeeld of de lift in veilige staat verkeert.
e. Wanneer de lift voldoet aan vervaar-digingsvoorschriften van artikel 5 van het besluit en in veilige staat verkeert wordt een certificaat van goedkeuring afgegeven.
f. Indien bij de keuringen, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder c en d, tekortkomingen worden geconstateerd, die een bedreiging vormen voor leven of gezondheid van personen, wordt daarvan onverwijld mededeling gedaan om de regionaal directeur van de Arbeidsinspectie.
g. Aan de regionaal directeur van de Arbeidsinspectie worden op zijn verzoek de keuringsrapporten van een door hem aangeduide lift onverwijld toegezonden.
h. Van het verrichten van keuringen en het afgeven van certificaten wordt aantekening gehouden in een register dat kan worden ingezien door de regionaal directeur van de Arbeidsinspectie of door een ambtenaar van het Staatstoezicht op de Mijnen voor zover het betreft een lift bedoeld in het derde lid;
i. Zo dikwijls als de toepassing van de in artikel 3, tweede lid, onder a t/m f bedoelde voorschriften daartoe aanleiding geeft, wordt in overleg getreden met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
3.
Ten aanzien van liften die gebruikt worden in bij een mijn behorende bovengronds gelegen werken of inrichtingen die zijn aangewezen krachtens artikel 9, eerste lid, onder a, van de Mijnwet 1903, en ten aanzien van liften die gebruikt worden op mijnbouwinstallaties op het continentaal plat, dient het in het tweede lid, onder g, bedoelde verzoek te worden gedaan door, dient de in het tweede lid, onder f, bedoelde mededeling te worden gedaan aan, dient toezending als bedoeld in het tweede lid, onder g, plaats te vinden aan, en dient het onder i bedoelde overleg te worden gepleegd met de Inspecteur-Generaal der Mijnen.
Artikel 3a
De aangewezen instelling handelt bij de keuringsprocedure, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van het Warenwetbesluit liften, dat ingeval van goedkeuring van de lift, leidt tot afgifte van een certificaat van goedkeuring, bedoeld in artikel 17, zevende lid, van evengenoemd besluit, conform de eisen, zoals omschreven in het certificatieschema vervolgkeuringen liften, identificatiecode SBCL-2006-01 van de Stichting Beheer Certificatie Liften (SBCL) te Eemnes
Artikel 4
De keuringsinstantie is bevoegd een merk van afkeuring van een lift te verwijderen, nadat zij voor deze lift een certificaat van goedkeuring, als bedoeld in artikel 2, derde lid heeft afgegeven. De keuringsinstantie doet hiervan binnen 7 dagen mededeling aan de regionaal directeur van de Arbeidsinspectie, of, indien het een lift betreft als bedoeld in artikel 3, derde lid, aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen.
Artikel 6
Deze aanwijzingsbeschikking treedt in werking met ingang van 1 juli 1997.
Deze aanwijzingsbeschikking zal in de Staatscourant worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 23 april 1997
De
Staatssecretaris
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 3a
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht